Toelichting bij het Keurmerk Makkelijk Lezen

De Stichting Makkelijk Lezen beoordeelt manuscripten voor uitgevers. Daarvoor wordt het manuscript bekeken door deskundigen. Zij gaan na of de gebruikte taal voldoet aan de eisen van de Stichting. Als het manuscript makkelijk genoeg is, mag de uitgever het keurmerk Makkelijk Lezen in het boek afdrukken, als een herkenningsteken voor mensen die niet makkelijk lezen.

 

Meer informatie over het keurmerk en over de Stichting staat op http://www.stichtingmakkelijklezen.nl/.

De Stichting Makkelijk Lezen heeft richtlijnen voor het verkrijgen van het keurmerk Makkelijk Lezen. Die richtlijnen zijn ook handige tips voor iedereen die teksten maakt voor een breed publiek.

Richtlijnen

1. vormgeving
2. typografie
3. taalgebruik

1. vormgeving

  1. handzaam formaat
    Het papierformaat moet handzaam zijn, d.w.z. dat het niet zo groot is dat er door de tekst heen gevouwen moet worden.
  2. hoeveelheid tekst passend bij formaat
    Verder moet het formaat papier in verhouding staan tot de hoeveelheid informatie: dus niet een klein formaat voor heel veel informatie.
  3. voldoende wit om de tekst heen
    De zij- en bovenkanten van een blad moeten zoveel wit bevatten dat je een blad makkelijk beet kan pakken zonder dat je met je vingers de tekst bedekt.
  4. om de 10 à 15 regels een witregel
    Voor een lezer die niet zo makkelijk leest moeten er rustpunten in de tekst zitten. De lezer kan zo steeds kleine gehelen lezen. Daarom moet een bladzijde nooit van boven naar beneden met tekst gevuld zijn. Er moeten om de 10 à 15 regels witregels zijn.
  5. illustraties verduidelijken tekst
    Illustraties moeten een functie in de tekst hebben: ze moeten de tekst verduidelijken. Door naar de illustraties te kijken, moet de lezer de inhoud makkelijker kunnen begrijpen. Staan er op één bladzijde links en rechts veel illustraties, dan leest dat ook niet makkelijk: de lezer moet steeds kiezen waar hij door moet lezen.
  6. eenduidige pictogrammen
    Pictogrammen moeten de bedoeling van een stuk tekst, een idee, een opdracht o.i.d. eenduidig weergeven. In één oogopslag moet de lezer weten wat hij moet doen, wat iets voorstelt enz.
  7. kaders om belangrijkste informatie
    Kaders moeten belangrijke zaken uit een tekst accentueren. Door hiervan goed gebruik te maken vindt de lezer de belangrijkste informatie in één oogopslag.
  8. voldoende contrast achtergrond en letter
    mat papier
    Informatieve teksten, denk aan folders en voorlichtingsmateriaal, zijn vaak heel kleurrijk. Worden er kleuren gebruikt, dan moet er voldoende contrast zijn tussen achtergrond en tekst.
    Het papier mag niet glimmend zijn.
    Zwakke lezers hebben een voorkeur voor gebroken witte tot lichtgele kleuren van het papier met een donkerblauwe tot zwarte letter.
    Er kan ook rekening gehouden worden met contrastproblemen van kleurenblinden (geen rood of groen op een grijze of zwarte achtergrond).

 

2. typografie

  1. lettertype Times of Arial
    lettergrootte: 10 t/m 14
    Onderzoek wijst steeds uit dat lettertype Times, grootte tussen 10 en 14, en Arial 10 - 14 het duidelijkst zijn. Zijn de letters erg groot (boven 14) dan is het moeilijk om woorden in één blik te overzien en vlot te lezen.
  2. eenheid lettertype
    In veel informatieve teksten worden verschillende lettertypes en groottes door elkaar gebruikt. Als die letters niet op elkaar afgestemd zijn, oogt de tekst niet rustig. Voor een zwakke lezer geldt: hoe onrustiger de tekst er uit ziet, hoe moeilijker te lezen.
  3. regelafstand anderhalf
  4. Regelafstand anderhalf maakt dat de lezer niet snel halverwege de ene regel doorgaat op de volgende, of een regel overslaat. Bovendien is er wat meer ruimte om bij te wijzen of met een liniaal onder de regel te lezen.
  5. goede letterafstand
    De letters in de woorden moeten niet erg dicht op elkaar en ook niet te ver uit elkaar staan. In één oogopslag moet de lezer hele woorden kunnen zien.
  6. links uitgelijnd
    Gebruikelijk is links uitlijnen. Wordt het ook rechts gedaan, dan worden de letters van een regel soms in elkaar geduwd of uit elkaar getrokken om die rechte kantlijn maar te krijgen. Dat geeft een zeer onrustig en onregelmatig tekstbeeld.
  7. afbrekingen alleen in samenstellingen
    Afbreken van woorden aan het eind van de regel maakt een tekst moeilijker te lezen. Alleen in samenstellingen kan er tussen twee betekenisvolle delen afgebroken worden (fietsen-stalling; maar niet: fiet-senstalling).
  8. gemiddeld aantal woorden per regel <12, maar >7
    Regels die breder zijn dan 10 à 12 woorden lezen niet prettig. Zwakke lezers raken hun regel dan snel kwijt. Smalle regels van minder dan 7 woorden lezen ook niet prettig.

 

3. taalgebruik

  1. tekstniveau
    • goede opbouw van inhoud:
      • boodschap is duidelijk
      • hoofd- en bijzaken gescheiden
      • geen overbodige informatie
      • zaken die bij elkaar horen, staan bij elkaar
        Een logisch opgebouwde tekst is qua gedachtegang goed te volgen. De informatie komt duidelijk over. Hoofd- en bijzaken worden goed van elkaar gescheiden. (Er staan weinig 'afleiders'' in de tekst). De onderwerpen (of aspecten van de informatie) die bij elkaar horen, staan ook bij elkaar in de tekst. En: er staat niet te veel informatie tegelijk in een tekst, want hoe meer aspecten belicht worden, hoe moeilijker de tekst.
    • goede indeling:
      • inhoudsopgave
        Bij langere teksten is in een inhoudsopgave is snel te overzien welke informatie er in de tekst te vinden is. Bij korte teksten kan een kort puntsgewijs overzichtje de inhoudsopgave vervangen.
      • nummers
      • opsommingstekens
        Belangrijke informatie is makkelijker te lezen als er nummers of opsommingstekens voor staan.
        De zinnen daarachter zijn meestal kort.
      • tussenkopjes boven alinea's
        Tussenkopjes boven de alinea's vergemakkelijken het begrip. Zwakke lezers kunnen via de tussenkopjes een tekst eerst globaal doornemen. Ook is het gemakkelijker opzoeken in een tekst met tussenkopjes.
      • samenvatting
      • juiste interpunctie
        Een duidelijke en consequente interpunctie vergemakkelijkt het lezen. Er wordt ook gelet op juist gebruik van hoofdletters en leestekens.
  2. zinsniveau
    • eenvoudige zinsstructuren
      Zinnen met een ingewikkelde structuur, bijvoorbeeld met onderschikkingen, afwijkende woordvolgorde of passiefconstructies, zijn moeilijk te lezen en te begrijpen. In het algemeen zijn zinnen met ingewikkelde structuren gemakkelijk om te zetten in twee of meer eenvoudigere zinnen.
    • gemiddelde zinslengte < 12 woorden
      Een tekst met een gemiddelde zinslengte van minder dan 12 woorden is goed te lezen voor lezers op het niveau eind basisonderwijs.
    • weinig figuurlijk taalgebruik
      Veel zwakke lezers struikelen over figuurlijk taalgebruik, omdat ze het in eerste instantie letterlijk interpreteren. Als ze eenmaal doorhebben dat het om een uitdrukking gaat, zijn ze vaak de draad van het verhaal kwijt.
    • geen onlogische overgangen
      Zinnen en alinea's moeten logisch op elkaar aansluiten in een tekst. Dit kan door het gebruiken van signaalwoorden (sommige... andere; daarom .., enz.). Lezers worden op die manier gewezen op de opbouw van de tekst.
    • duidelijke verwijzingen
      Verwijswoorden zijn woorden als hem, die, daarheen. De betekenis van een verwijswoord is alleen duidelijk als je weet waar het op slaat. Zwakke lezers begrijpen een tekst met veel verwijswoorden minder goed. Het kost hen moeite terug te vinden waar de verwijswoorden op slaan.
      Worden verwijswoorden gebruikt, dan moeten ze dichtbij de woorden waarnaar zij verwijzen staan. Zwakke lezers hebben namelijk veel moeite met verwijswoorden waarvan de referent ver weg staat.
  3. woordniveau
    • % lastige woorden < 4 per 100
      Lastig te lezen woorden zijn woorden van 4 of meer lettergrepen; vooral leenwoorden (management) zijn struikelblokken voor zwakke lezers. Daarnaast hebben zwakke lezers ook moeite met woorden waarin grote medeklinkerclusters voorkomen (angstschreeuw). Per alinea (10 zinnen van 10 woorden) mogen er niet meer dan 4 lastig te lezen woorden gebruikt zijn. Als een 'lastig' woord vaker in een tekst gebruikt wordt, telt dat niet mee
    • uitleg onbekende woorden
      Soms wordt een minder bekend woord gebruikt, waarvoor geen eenvoudig synoniem bestaat. Voor de lezer is het fijn als de betekenis ergens in de tekst uitgelegd wordt, al dan niet met een illustratie.
    • hoeveelheid jargon in verhouding tot doelgroep
      Bij een informatieve tekst is de doelgroep waarvoor de tekst geschreven is van belang. Een algemene voorlichtingsfolder van een ziekenhuis bijvoorbeeld, is geschreven voor iedereen. De folder moet dan ook te lezen zijn zonder dat specifieke voorkennis nodig is. Maar in een gebruiksaanwijzing voor het installeren van verwarmingsketels bedoeld voor monteurs, mogen best een paar vaktermen (jargon) zitten. Is de gebruiksaanwijzing echter bedoeld voor de doe-het-zelver dan zal er veel meer uitgelegd moeten worden.
    • gebruik spreektaal- functiewoorden
      Er zijn functiewoorden die heel vaak in schrijftaal gebruikt worden, en bijna nooit in spreektaal. Denk aan 'aangezien' en 'indien' (schrijftaal) i.p.v. 'omdat' en 'als' (spreektaal).
      Hier wordt het spreektaalcriterium toegepast: als voor een woord een makkelijker synoniem bestaat, heeft dat de voorkeur.
    • gebruik spreektaal- inhoudswoorden
      Ook voor inhoudswoorden wordt het spreektaalcriterium toegepast: bestaat er voor een 'moeilijk' woord een makkelijker synoniem, dan moet dat gebruikt worden.