Geschiedenis van het Nederlands

Nederlands is wel meer dan 15 eeuwen oud. En waar blijkt dat uit? Uit een wettekst. 

 

Talen leven. Dat wil zeggen dat ze zich aanpassen aan de behoeften van de mensen die de taal gebruiken, en dat ze ook verhuizen of verdwijnen met die bevolkingsgroepen. Tot voor de vijfde eeuw werd in het grootste deel van Nederland en België een taal gesproken die vrijwel is uitgestorven: het Noordzeegermaans. In het Fries zijn daar nog kenmerken van bewaard. Maar die taal trok zich met de verhuizing van de Angelen en de Saksen terug in Engeland.

In de plaats kwam het continentale Germaans dat zich in Duitsland ontwikkelde tot het (Hoog)Duits, bij ons tot het Oudnederlands (500-1150). Er zijn maar weinig teksten bewaard in die oude vorm van onze taal. Bekend is het eerste dichterlijke zinnetje: ‘Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu uuat unbidan uue nu’ (Alle vogels zijn nestjes begonnen behalve ik en jij, wat wachten we nu). Het dateert waarschijnlijk van rond het jaar 1100. Maar er zijn veel oudere fragmenten bewaard, onder meer ‘Maltho thi afrio lito’ (Ik meld je: ik laat je vrij’), dat komt uit zesde-eeuwse wettekst.

Tot de middeleeuwen hadden mensen weinig contact met anderen die ver weg woonden. Ze hadden dus voldoende aan hun dialect. We spreken wel van het Middelnederlands (1200-1500), maar dat was geen eenheidstaal. Aan bekende teksten, zoals Vanden Vos Reynaerde, Karel ende Elegast en de gedichten van de mystieke non Hadewych kun je zien waar de auteurs woonden.

Pas in de zestiende en zeventiende eeuw ontwikkelde zich uit de Hollandse dialecten een standaardtaal, het Nieuwnederlands (1500-nu). Een belangrijke rol speelde daarin de boekdrukkunst en meer bepaald de Statenvertaling van de Bijbel.

Eerst bestond het Nederlands alleen als een geschreven taal, die in verschillende streken anders werd uitgesproken. Onder invloed van die geschreven taal ontstond een gesproken taal die grotendeels gelijk klinkt in het gehele taalgebied. Dat gebeurde in Nederland vroeger dan in Vlaanderen, waar in de negentiende eeuw een sterke beweging bestond om een eigen taal te ontwikkelen, maar waar uiteindelijk toch de al bestaande standaard van Nederland werd ingevoerd.

Het Nederlands in Suriname en de Caribische eilanden heeft een eigen geschiedenis. Die is 350 jaar oud en is begonnen met de kolonialisatie.

Sinds het einde van de 19e eeuw is het Nederlands in Suriname een verplichte taal op school. Het ontwikkelde zich tot de lingua franca en de taal van bestuur en onderwijs. 

In het midden van de 19e eeuw werd  op de Caribische eilanden het veel gesproken Papiaments als schooltaal verboden. De lessen werden daarna gegeven in het Nederlands of het  Spaans of  Frans. Voor de meeste inwoners  is Nederlands  vandaag de dag niet de moedertaal, maar Papiaments of Engels. 

Het Nederlands dat we op school leren, noemen we ook het Algemeen (Beschaafd) Nederlands of A(B)N, of het Standaardnederlands. Het klinkt in Nederland anders dan in Vlaanderen en anders dan in de Cariben, maar deze regionale variëteiten worden door de Nederlandse Taalunie als evenwaardig beschouwd.

26 februari 2013