Samenvatting rapport 'Naar een samenhangend taalbeleid voor het Nederlands'

1 Overwegingen vooraf
2 Aanbevelingen
 

1 Overwegingen vooraf

(1) In de geschiedenis is niets onvergankelijk, en talen zijn dat zeker niet. Net als iedere andere levende taal, verandert het Nederlands voortdurend. Er is een tijd geweest dat er geen sprake was van Nederlands, er komt waarschijnlijk een tijd dat dat weer het geval zal zijn. Dat duurt nog vele eeuwen: het Nederlands is een relatief grote, een rijk geschakeerde en een buitengewoon vitale taal (paragraaf 1.4). Er bestaat bovendien op brede schaal overeenstemming binnen de politiek en de Nederlandstalige samenlevingen dat het Nederlands de moeite waard is om te behouden.

Het Nederlands dient beschreven en onderhouden te worden als een uniek product van de menselijke geest, als het levende museum waarin veel van onze immateriële cultuur is vastgelegd, en als de belangrijkste identiteitsbepaler die Nederlanders en Vlamingen - waar zij ook wonen - gemeen hebben.

[Hier zij opgemerkt dat in dit rapport kortheidshalve vaak gesproken wordt van Vlamingen; daarmee worden dan niet alleen sprekers van het Nederlands woonachtig in Vlaanderen bedoeld, maar ook in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en elders in België woonachtige Nederlandstalige Belgen. Wanneer gesproken wordt van Vlaanderen, zou het in veel gevallen correcter zijn ook het Brussels Hoofdstedelijk Gewest apart te vermelden.]

Het Nederlands dient allereerst verzorgd en bevorderd te worden als het instrument bij uitstek waarvan het overgrote deel van de inwoners van Nederland en Vlaanderen zich bedient in vrijwel alle situaties van het leven. Dat instrument, vitaal voor het functioneren van het merendeel van onze burgers, zo universeel mogelijk te houden, is een taak waar de Nederlandse Taalunie op heeft toe te zien.

(2) De Nederlandse en Belgische overheden hebben in 1980, vanuit de erkenning van hun gezamenlijke verantwoordelijkheid voor onze gemeenschappelijke taal, de Nederlandse Taalunie opgericht. De Taalunie, als intergouvernementeel orgaan is uniek; er bestaan elders in Europa geen direct vergelijkbare zusterinstellingen. De Taalunie is voor onze overheden het beleidsinstituut par excellence voor de Nederlandse taal (paragraaf 1.2).

(3) Het Nederlands is binnen onze de facto meertalige gebieden de dominante taal. Beheersing van het Nederlands is vrijwel een voorwaarde voor een zelfredzaam bestaan binnen Nederland en Vlaanderen.

(4) Officiële regelingen met betrekking tot het Nederlands lopen in Nederland en in België uiteen. Dat heeft te maken met verschillende historische achtergronden en daaruit voortkomende verschillende hedendaagse belevingen. Deze situatie maakt het uitzetten van een gemeenschappelijk Nederlands-Vlaams taalbeleid in bepaalde gevallen tot een complexe, maar daarom des te noodzakelijkere materie. Bij het plannen van de status of de functionaliteit van een taal zijn politieke uitgangspunten en ideologische posities van grotere invloed dan bij de planning van beleid voor taalonderricht of voor het boekstaven van een taal.

(5) Het Nederlands bestaat uit een continuüm van verschillende taalvormen die bijeen worden gehouden door een door onze overheden bevorderd besef van eenheid. Die verschillende vormen kunnen sociaal, geografisch en/of etnisch gedefinieerd worden. De meeste moedertaalsprekers van het Nederlands beheersen verschillende registers en/of variëteiten van hun taal. De tweede-taalsprekers van het Nederlands dragen hun eigen facetten bij aan het geschakeerde Nederlands, terwijl zij van huis uit een of meer andere taalvormen beheersen.

(6) De Taalunie heeft erop toe te zien dat (i) het Nederlands een goed, algemeen bruikbaar instrument voor communicatie blijft in zowel het private als het publieke domein, dat (ii) het veranderende Nederlands, in al zijn variatie, terdege wordt en blijft geboekstaafd, dat (iii) het Nederlands geleerd kan worden binnen en buiten reguliere curricula, als eerste taal, als tweede taal en als vreemde taal en dat (iv) in de communicatieve behoeften van de sprekers van het Nederlands in binnen- en buitenland wordt voorzien.

 

(7) De Taalunie heeft haar mandaat breed te interpreteren en haar activiteiten aan te passen wanneer maatschappelijke ontwikkelingen daarom vragen. De Taalunie treedt beleidsinitiërend op; ze kan ook de politiek tot actie uitnodigen, andere actoren tot activiteiten aanzetten, en zelf projecten entameren. De Taalunie houdt zich op de hoogte van feiten, ontwikkelingen en beleid; de Taalunie is het clearing house voor de Nederlandse Taal.

(8) De Taalunie richtte zich aanvankelijk in sterke mate op het onderricht in het buitenland van het Nederlands als vreemde taal, en was daarin succesvol. Een andere hoofdzorg was vanaf de prille jaren de bevordering van onze kennis omtrent het Nederlands. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal en de Algemene Nederlandse Spraakkunst zijn aansprekende uitgaven die mede onder auspiciën van de Taalunie tot stand zijn gekomen. In de laatste tien jaren heeft de Taalunie veel activiteiten gestimuleerd of regelrecht geïnitieerd om de kennis van het Nederlands aan te passen aan de eisen van onze tijd, waarin de mogelijkheden van de informatie- en communicatietechnologie - en daarbinnen die van de taal- en spraaktechnologie - een hoge vlucht hebben genomen.

(9) De Taalunie heeft niet alleen beleid uitgezet als antwoord op de digitale revolutie; er is ook gewerkt aan het ontwikkelen van antwoorden op de talige uitdagingen, of dreigingen, die onderkend worden in verband met het wegvallen van grenzen, door Europeanisering en mondialisering. Al snel in haar ontwikkeling is de Taalunie, naast de taal zelf, ook de gebruikers van de taal tot voorwerp van haar zorg gaan rekenen.

(10) De Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren, die het controlerende en adviserende orgaan is binnen de Taalunie, heeft een werkgroep in het leven geroepen die stil diende te staan bij het taalbeleid dat geboden is in onze tijd. Grenzen vallen weg en afstanden verdwijnen, migratie en mobiliteit zijn toegenomen en onze maatschappijen zijn multicultureel en veeltalig geworden op een nieuwe wijze en schaal, terwijl de wereld ook nog eens digitaliseert.

Heel direct hebben onze burgers te maken met de ontwikkelingen op het Europese niveau. Gaat het in de context van globalisering en Europese eenwording om het Nederlands, dan spreekt de een in termen van uitdaging, de ander roept de dreiging van talige en culturele homogenisering op en meent te moeten vrezen voor een voortbestaan van de Nederlandse taal en de Nederlandse en/of Vlaamse cultuur.

(11) De werkgroep is bij zijn discussies over Europees taalbeleid uitgegaan van voorzetten die door het Algemeen Secretariaat van de Taalunie zijn gegeven. De werkgroep heeft zijn taak gaandeweg ruim geïnterpreteerd: op Europa gericht taalbeleid met betrekking tot het Nederlands is niet goed te scheiden van aspecten van taalbeleid met betrekking tot het Nederlands binnen Nederland en Vlaanderen, terwijl er ook lijnen doorlopen naar mogelijk taalbeleid buiten Europa.

De werkgroep is daarbij in sterke mate uitgegaan van het totaal van de communicatieve behoeften van sprekers van het Nederlands. Daarbij is het niet alleen gegaan om moedertaalsprekers maar ook om sprekers van het Nederlands als tweede en als vreemde taal. De communicatieve noden van Nederlandstaligen in anderstalige omgevingen zijn zodoende evenzeer aan de orde geweest als de communicatieve noden in Nederland en Vlaanderen van mensen voor wie het Nederlands van huis uit niet de eerste taal is.

(12) Vanwege het subsidiariteitsbeginsel, dat stelt dat verantwoordelijkheden op het laagst mogelijke niveau genomen dienen te worden, is er nauwelijks sprake van een taalpolitiek van de Europese Unie.

Voor contacten met, tussen en in EU-instellingen bestaan afspraken over taalregimes; die gaan over officiële en over werktalen. Diverse EU-instellingen en ook de Raad van Europa hebben verder regelmatig aandacht besteed aan de status en het onderwijs van niet-dominante inheemse talen binnen Europa. Aan de allochtone niet-dominante talen die binnen Europa vaste grond onder de voeten hebben verworven, heeft Europa relatief weinig aandacht besteed. Europese instellingen hebben zich relatief sterk gericht op de gewenste taalvaardigheden van de steeds mobieler en veeltaliger gewenste burger. De werkgroep gaat in op regelingen, uitspraken en programma's afkomstig van diverse Europese instellingen.

(13) Willen de Nederlandse en Vlaamse overheden de Europese agenda beïnvloeden, dan hebben zij daarvoor bondgenoten nodig. De werkgroep heeft overlegd over mogelijke bondgenootschappen. Omdat de organen die als zusterinstituties van de Taalunie beschouwd kunnen worden heterogeen zijn en sterk verschillende agenda's en doelgroepen hebben, lijkt het de werkgroep raadzaam dat de Taalunie voortgaat met het versterken van de contacten, terwijl ondertussen de mogelijkheden voor coalitievorming met betrekking tot afzonderlijke punten van actie uitgewerkt worden.


 

2 Aanbevelingen


De werkgroep beveelt aan

In deze paragraaf worden de aanbevelingen die verspreid over het rapport voorkomen gezamenlijk gepresenteerd. Deze presentatie houdt daarbij niet de volgorde aan waarin de aanbevelingen in het rapport te vinden zijn. Hier zijn de aanbevelingen naar onderwerp samengevat, waarbij ze zo mogelijk binnen de verschillende onderwerpen nog weer eens geordend zijn van meer algemeen naar meer specifiek.

Algemeen

(1) dat de Nederlandse Taalunie bevordert dat de Vlaamse en Nederlandse overheden handelen in overeenstemming met artikel vier van het Verdrag inzake de Nederlandse Taalunie dat hen verplicht tot het voeren van een gemeenschappelijk beleid onder meer met betrekking tot de Nederlandse taal en letteren in internationaal verband (zie verder paragraaf 1.2).

Status van talen in Nederland en Vlaanderen

(2) dat de Taalunie onderzoekt of het mogelijk en wenselijk is gecoördineerd en in Europees verband ernaar te streven dat voor allochtone minderheidstalen een bescherming wordt geëffectueerd die vergelijkbaar is met de bescherming die door het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden wordt geboden aan autochtone niet-dominante taalvormen (zie verder paragraaf 2.1).

(3) dat de Taalunie onderzoekt of er voldoende draagvlak te vinden is bij zusterinstellingen in andere Europese landen en/of taalgebieden voor een gemeenschappelijke actie die zou moeten leiden tot waardering van taalvariatie, al dan niet in relatie tot het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden (zie verder hoofdstuk 5).

(4) dat de Taalunie zich sterk maakt voor hen die zich bedienen van Nederlandse en Vlaamse gebarentalen, onder meer door zich in te zetten voor officiële erkenning van deze taalvormen door de Nederlandse en Belgische overheden (zie verder paragraaf 2.1).

Nederlands als taal van instructie

(5) dat de Taalunie bevordert dat op het stuk van taal van instructie in het tertiair onderwijs toegewerkt wordt naar meer overeenstemming tussen de Nederlandse en Vlaamse praktijk. Daarvoor dient de situatie in Nederland en in Vlaanderen nauwkeurig en in vergelijkend perspectief in kaart te worden gebracht (zie verder paragraaf 2.4).

(6) dat de Taalunie bevordert dat de situatie rond de tweetalige HAVO- en VWO-scholen in Nederland, waar naast of in plaats van het Nederlands het Engels als instructietaal wordt gebruikt, in kaart wordt gebracht en dat de praktijk en de effecten van die scholen worden onderzocht (zie verder paragraaf 2.3.2).

(7) dat de Taalunie er bij de betrokken overheden op aandringt dat het Nederlands in principe de voertaal is bij alle bachelor-opleidingen aan de instellingen van hoger onderwijs binnen het primair Nederlandstalige gebied; uitzonderingen dienen niet dan beperkt mogelijk te zijn en in protocollen te worden vastgelegd;

en dat de Taalunie er op aandringt dat masters-opleidingen die inhoudelijk de Lage Landen raken en/of die voorbereiden op beroepen die een sterke mate van contact met Nederlandstalige burgers inhouden in elk geval (volledig) in het Nederlands gegeven worden (zie verder paragraaf 2.4).

Nederlands in de publieke sector

(8) dat de Taalunie het ertoe leidt dat het beleid ten aanzien van het gebruik van het Nederlands in het publieke bestel in Nederland en in Vlaanderen op elkaar wordt afgestemd (zie verder paragraaf 2.2).

(9) dat de Taalunie erop aandringt dat informatie en handleidingen bij producten die in Nederland, Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in de detailhandel verkocht worden, altijd tenminste in het Nederlands verstrekt worden (zie verder paragraaf 2.2).

Talenregimes met, binnen en tussen instellingen van de EU

(10) dat de Taalunie bevordert dat er toegezien wordt op de naleving van bestaande regelingen die stellen dat daar waar burgers direct met hun Europese afgevaardigden en met de Europese instellingen te maken hebben, alle officiële talen ook metterdaad werktalen dienen te zijn - ongeacht de kosten (zie verder paragraaf 3.5).

(11) dat de Taalunie bevordert dat voor het onderwerp werktalen binnen en tussen de instellingen van de Europese Unie in samenwerking met instellingen die de belangen behartigen van andere taalgebieden van de EU, gestreefd wordt naar een pragmatische en ideologisch onbeladen oplossing, die bij voorkeur te bereiken is via een politiek van laissez-faire, oftewel the policy not to have a policy, in combinatie met diligent flankerend beleid (zie verder paragraaf 3.6).

Het Nederlands buiten Nederland en Vlaanderen en het Afrikaans

(12) dat de Taalunie onderzoekt of er onder groepen van in den vreemde verblijvende Nederlanders en Vlamingen de behoefte bestaat aan voorzieningen die voor hen en hun kinderen het Nederlands als hun taal van oorsprong (ancestral language) overeind kunnen houden (zie verder paragraaf 4.1).

(13) dat de Taalunie onderzoekt of het moment is aangebroken om te streven naar meer en ook naar een meer formeel vastgelegde samenwerking op talig gebied met relevante instanties op de Nederlandse Antillen en Aruba;

en dat de Taalunie versneld streeft naar samenwerking op het gebied van de status en het onderwijs van het Nederlands tussen de Nederlandse Taalunie en de daarvoor in aanmerking komende instellingen in Suriname (zie verder paragraaf 4.2).

(14) dat de Taalunie ernaar streeft de banden verder te versterken met instanties in Zuid-Afrika die het Afrikaans beleidsmatig begeleiden en bevorderen bij zijn ontwikkeling als één van de elf officiële talen van dat land (zie verder paragraaf 4.3).

Corpusbeleid

(15) dat de Taalunie het ertoe leidt dat extra aandacht besteed wordt aan en middelen vrijgemaakt worden voor het aanleggen van sectorale terminologiebestanden opdat het Nederlands adequaat vertegenwoordigd kan zijn in omgevingen waarin automatisch vertaald wordt en in andere gespecialiseerde taaltechnologische toepassingen (zie verder hoofdstuk 6).

Acquisitiebeleid

(16) dat de Taalunie erop aandringt dat onze overheden alles op alles zetten om voorschoolse en vroegschoolse taalachterstanden met betrekking tot het Nederlands te verminderen bij taalzwakke allochtone en autochtone kinderen, en om actie te ondernemen ter meerdere bevordering van het onderwijs van het Nederlands als tweede taal voor allochtone volwassenen, al dan niet als onderdeel van een inburgeringstraject. Het verdient aanbeveling dat hierbij van Vlaamse en Nederlandse zijde geleerd wordt van elkaars successen en falen (zie verder hoofdstuk 7).

(17) dat de Taalunie bevordert dat onze overheden, na onderzoek ter zake, een duidelijke beleidslijn uitzetten ten aanzien van het vreemde-talenaanbod in de verschillende fasen van de onderwijssystemen in de Nederlandstalige gebieden (zie verder hoofdstuk 7).

(18) dat de Taalunie bevordert dat in het schoolcurriculum elementen worden ingevlochten die ertoe leiden dat tolerantie en waardering ontstaan voor niet-dominante taalvormen en cultuurpatronen, mede met het oog op de bevordering van interculturele communicatie (zie verder hoofdstuk 5).

(19) dat de Taalunie bevordert dat methodes en implementatiemogelijkheden onderzocht worden voor het bevorderen van de verwerving van partiële, receptieve kennis van het Nederlands door personen die leven vlak over de grenzen van ons eigen taalgebied, zodat Nederlandse en Vlaamse burgers in de grensregio's met hun buren kunnen communiceren, terwijl eenieder de eigen taal spreekt (zie verder hoofdstuk 7).

Europees taalbeleid

(20) dat de Taalunie bevordert dat politici uit de Nederlandstalige gebieden ernaar streven dat het onderwerp taal en communicatie uitgebreider op de politieke agenda van de EU komt. Er valt te denken aan een taalparagraaf naast de sinds het Verdrag van Maastricht bestaande cultuurparagraaf (zie verder hoofdstuk 8).

(21) dat de Taalunie er via de geëigende kanalen op aandringt dat Europese instellingen bij hun bevordering van meertaligheid van de burgers ook uitgaan van de belangen en mogelijkheden van de tientallen miljoenen veelal meertalige burgers van Europa die een andere dan een dominante taal van een van de lidstaten als eerste taal hebben (zie verder hoofdstuk 8).

 

5 maart 2013