Verfijning beleid neerlandistiek wereldwijd

Samenvatting

1. Aanleiding
Het veld van de neerlandistiek in het buitenland is de laatste tijd in beweging. Oorzaken daarvan zijn onder meer financieel-economische veranderingen in de wereld, introductie of wijziging van Europese regelgeving, de vorming van joint curricula en ontwikkelingen in het beleid voor het hoger en wetenschappelijk onderwijs in verschillende landen (voornamelijk in de EU-landen).

Als gevolg hiervan kunnen er afdelingen Nederlands in het buitenland onder druk komen te staan. Zo worden bijvoorbeeld accreditatieprocessen door universiteiten en overheden nogal eens aangegrepen voor het doorvoeren van bezuinigingen. Afdelingen Nederlands die daardoor dreigen te verdwijnen, wenden zich vervolgens tot de Taalunie voor steun. Zeker nu de economische vooruitzichten niet gunstig zijn, is de verwachting dat deze tendens de komende jaren zal toenemen.

Het huidige beleid is onvoldoende toegerust om op deze veranderende vraag in te kunnen spelen. Daarom moet het huidige beleid verfijnd worden om in het geval van verzoeken om steun prioriteiten te kunnen stellen en om beredeneerde keuzes te kunnen maken. Heldere en objectief toetsbare criteria en transparantie staan daarbij voorop.

Kernbegrippen in dit nieuwe beleid zijn: focus, kwaliteit, massa, maatwerk en spreiding. Er wordt afstand genomen van het uitgangspunt dat de Taalunie alle initiatieven op alle plekken in de wereld op gelijksoortige wijze zal ondersteunen. Daarom wordt er gefocust zodat keuzes kunnen worden gemaakt en prioriteiten kunnen worden gesteld.
Bij het maken van keuzes zal kwaliteit van de staf, het onderzoek en de output van de afdeling Nederlands een belangrijk criterium zijn. Er zal een zekere kritische massa moeten zijn om kwaliteit voort te kunnen brengen. Situaties kunnen dermate specifiek en interessant zijn dat maatwerk in de ondersteuning nodig is om het gewenste resultaat te kunnen boeken en ten slotte is het vanuit een geopolitieke invalshoek van belang om een zekere mate van spreiding van de neerlandistiek over de wereld na te streven.

2. Toelichting op het aangepaste beleid
Voor de reguliere ondersteuning van het onderwijs Nederlands in het buitenland is de huidige subsidiesystematiek een beproefd model gebleken. Die subsidiesystematiek blijft dan ook behouden.
Om het hoofd te kunnen bieden aan de toenemende vraag naar uiteenlopende vormen van steun en om recht te doen aan de kernbegrippen van het beleid, (focus, kwaliteit, massa, maatwerk en spreiding), is gekozen voor een model waarin geografische prioritering en maatwerk worden gecombineerd. Een dergelijk model is werkbaar, transparant en eenvoudig bij te stellen indien geopolitieke ontwikkelingen daartoe aanleiding geven.

A. Geografische prioritering
In het geografische Europa (dus niet uitsluitend het politieke Europa van de EU) wordt gestreefd naar minstens één afdeling Nederlands per land. Aan de buurlanden van het Nederlandse taalgebied wordt de hoogste prioriteit toegekend. Een nuancering wordt aangebracht op basis van het aantal inwoners. Landen als Slovenië (nog geen 2 miljoen inwoners) en Denemarken (nog geen 6 miljoen inwoners) kunnen immers niet worden gelijkgesteld met landen als Duitsland (80 miljoen inwoners) en Rusland (140 miljoen inwoners). Daarom de volgende nuancering:

Schil 1:
Buurlanden: Duitsland - Frankrijk - Wallonië

• Tot 10 miljoen inwoners: 2 afdelingen Nederlands
• Van 10 tot 30 miljoen inwoners: 3 afdelingen Nederlands
• Vanaf 30 miljoen inwoners: 4 afdelingen Nederlands
Opmerking: Alle afdelingen Nederlands in deze landen komen in aanmerking voor een basissubsidie onder de voorwaarden zoals vermeld in de subsidiesystematiek.

Schil 2:
Landen in het geografische Europa anders dan de buurlanden
• Tot 10 miljoen inwoners: 1 afdeling Nederlands
• Van 10 tot 30 miljoen inwoners: 2 afdelingen Nederlands
• Vanaf 30 miljoen inwoners: 3 afdelingen Nederlands
Opmerking: Alle afdelingen Nederlands in deze landen komen in aanmerking voor een basissubsidie onder de voorwaarden zoals vermeld in de subsidiesystematiek

B ’Maatwerk’ voor landen of regio’s waarmee het Nederlandse taalgebied een bijzondere relatie heeft of nastreeft.
Er zijn verschillende landen waarmee het Nederlandse taalgebied een bijzondere relatie heeft of nastreeft. Dat kan om historische banden en/of taalverwantschap (Indonesië en Zuid-Afrika), economische machten (China, India, Verenigde Staten) en immigratielanden (Marokko en Turkije) gaan.

Aangezien het landen betreft waarmee het Nederlandse taalgebied per land een andere relatie heeft of nastreeft, die onderling sterk verschillen en waar de neerlandistiek vaak in een specifieke context wordt beoefend, is het aangewezen om de ondersteuning op een andere wijze vorm te geven dan in landen die onder A worden genoemd. Voor de ondersteuning van het onderwijs Nederlands wordt daarom per land maatwerk geleverd.

Schil 3:
Historische banden en/of taalverwantschap

Zuid-Afrika
Concentratie van de steun op de Universiteit Pretoria, UNISA, Noord Wes Universiteit (Campus Potchefstroom), Universiteit van die Vrystaat (Bloemfontein), Universiteit Stellenbosch en Universiteit van die Wes Kaap. Binnen deze universiteiten is het Nederlands het beste verankerd en heeft het Nederlands de meeste toekomst als gevolg van de positie van het Afrikaans.
Indonesië
Concentratie van de ondersteuning op de Universitas Indonesia in Jakarta/Depok. Dat is de enige Indonesische universiteit waar alle disciplines van de neerlandistiek op alle niveau’s worden aangeboden, waar onderzoek wordt beoefend en waar docenten worden opgeleid.
Daarnaast wordt ingezet op inbedding van het Nederlands in een universiteit in het westen van de archipel (mogelijk Padang op Sumatra) en in een universiteit in het oosten van de archipel (Makassar). Ten slotte wordt steun verstrekt aan culturele centra waar cursussen Nederlands worden aangeboden.

Schil 4:
Economische machten

Steun aan 2 afdelingen Nederlands per land.
Verenigde Staten
In de VS zal de Taalunie haar steun concentreren op een tweetal universiteiten waar het Nederlands goed verankerd kan worden, waarmee subsidieafspraken voor de lange termijn zullen worden gemaakt en waarmee tot op zekere hoogte geografische spreiding kan worden gegarandeerd.
China en India
China en India zijn op dit moment als prioritair aangemerkt in de huidige meerjarenbeleidsperiode van de Taalunie.

Schil 5:
Immigratielanden

Steun aan maximaal 1 afdeling Nederlands per land.
Marokko
Turkije

Opmerkingen bij de schillen 1 tot en met 5:

  1. Alle afdelingen Nederlands in de landen genoemd in de schillen 1 en 2 komen in aanmerking voor een basissubsidie onder de voorwaarden zoals vermeld in de subsidiesystematiek.
  2. Verzoeken om startsubsidies worden afgewezen als het aantal afdelingen Nederlands binnen dat land bereikt is. Voor de landen genoemd onder de schillen 3, 4 en 5 komen alleen de genoemde universiteiten voor deze steun in aanmerking.
  3. Verzoeken om noodhulp worden afgewezen als in dat land meer afdelingen Nederlands zijn dan het genoemde aantal.
  4. De Taalunie steekt constructief in op initiatieven ter oprichting van een afdeling Nederlands in het buitenland indien in dat land minder afdelingen Nederlands zijn dan het genoemde aantal.
  5. De Taalunie streeft niet ’koste wat het kost’ na dat in elk beoogd land een afdeling Nederlands bestaat of wordt opgericht. Voor sommige landen is het simpelweg niet haalbaar om alle talen van de Europese landen op universitair niveau aan te bieden (denk bijvoorbeeld aan Malta). Ook moet een serieuze inbedding mogelijk zijn.
    Als er geen belangstelling bestaat op bestuursniveau van een universiteit, er te weinig belangstelling onder studenten kan worden gewekt en er onvoldoende kwaliteit of massa kan worden gerealiseerd, zal er geen steun worden verstrekt om een afdeling Nederlands op te richten of in stand te houden.
  6. Binnen een land wordt Nederlands aangeboden in een omgeving die daarvoor het gunstigste is. Dat is niet noodzakelijkerwijs de hoofdstad. De locatie van de universiteit binnen het land speelt geen doorslaggevende rol.
  7. Bij het wegen van verzoeken om noodhulp en bij het maken van keuzes voor steun aan afdelingen Nederlands krijgen afdelingen Nederlands met de status van hoofdvak voorrang op afdelingen Nederlands met een lagere status zoals bijvak, keuzevak of lectoraat. Dit onderscheid wordt niet gemaakt waar het gaat om studierichtingen met een BA- of MA-programma. Daarnaast zijn nationale accreditaties bepalend. Evenzeer van belang is de wetenschappelijke kwaliteit van de afdeling.
    Indien deze gegevens niet volstaan om een verantwoorde beslissing te nemen dan kan de algemeen secretaris een forum van deskundigen instellen dat advies kan uitbrengen over de wetenschappelijke kwaliteit van de betreffende afdeling Nederlands.
    Indien er prioriteiten moeten worden gesteld op basis van kwaliteit, dan is het advies van dit forum zeer zwaarwegend.
  8. Ongeacht of de Taalunie binnen de context van het voorafgaand beschreven beleid zelf wel of geen financiële maatregelen kan nemen, zal het Algemeen Secretariaat in gevallen waarin noodhulp wordt gevraagd een brief schrijven aan de universitaire autoriteiten en/of de verantwoor- delijke ministeries waarin het belang van het Nederlands wordt benadrukt en waarin wordt gewezen op de reguliere ondersteuning op basis van de subsidiesystematiek.
    Het Algemeen Secretariaat zal ook altijd de Nederlandse en Belgische/Vlaamse diplomaten ter plaatse verzoeken om stappen te ondernemen.
  9. In alle gevallen blijft het beschikbare budget van de Taalunie kaderstellend voor de ondersteuning van de afdelingen Nederlands in het buitenland.

3. Invoering
De doelgroep wordt in 2011 geïnformeerd over deze verfijning van het beleid neerlandistiek wereldwijd in 2011. Vanaf dat moment zal waar mogelijk worden gehandeld conform de uitgangspunten van deze notitie. Formele invoering zal gebeuren in 2012, met dien verstande dat vanuit het beginsel van goed bestuur de financiële afspraken die met het veld zijn gemaakt voor de huidige meerjarenbeleidsperiode zullen worden nagekomen.
Dit betekent dat afdelingen Nederlands in landen die volgens de voorgestelde aanpassing van het beleid niet meer in aanmerking kunnen komen voor een basissubsidie, dit pas feitelijk zullen merken met ingang vanaf 1 januari 2013.

13 juni 2012