Taalunie Toneellezing 2009 - Jan Lauwers

Dames en heren,

Kunst is taai. Moeilijk kapot te krijgen. De grote fout van de vorige eeuw volgens Gilbert & George is het feit dat kunstenaars hun toeschouwer vergeten zijn. Kunst werd in de twintigste eeuw niet alleen door maar ook alleen voor kunstenaars gemaakt, zo zegden ze. De beeldende kunst is bovendien gerecupereerd door een zeer rijke elite die kunstwerken degraderen tot bloeddiamanten zodat er voor de meer naïeve toeschouwer enkel nog evenementswaarde overblijft. Daardoor is het urinoir van Duchamp weer een pispot geworden en niet alleen omdat de spektakelmaatschappij het denken heeft verboden, maar ook omdat er te veel mensen hun kop in 't zand steken.

Er is echter één kunstvorm die aan veel van die manipulaties ontsnapt en dat is het theater. Dit medium, waarschijnlijk aanzien als het meest oubollige medium, doorstaat met verve de aanvallen van de spektakelmaatschappij. Het is te kleinschalig en werkt tegelijkertijd met te veel mensen waardoor het vrij duur is en is te tijdelijk om enige beleggingswaarde te hebben. De schoonheid van dit medium is het idee van de samenwerking. Niet dat theater het summum van collectiviteit is. Collectiviteit is een zeer warrig begrip in de kunstwereld. Ik zou het eerder een samenwerking rond een positief conflict noemen.

Ik geloof al lang niet meer in een zichzelf uitvindende avant-garde of een zelfgenoegzame conventionele 'klassieke' vorm van theater. Wat telt is wat men ziet. En als dat resultaat goed is ziet men ook de zoektocht en de herdefinitie van het medium zelf. De basis voor theater kan om het even wat zijn, maar wordt altijd bedacht. De bedenker is de schrijver en als wat men ziet goed is komt dat doordat de schrijver 'grenzeloos' gedacht heeft. 'Too huge for the stage' is een gedachte ontwikkeld door academici die zelf nooit theater hebben gemaakt. Geen enkele tekst is te groot voor de scène.

Hoe komt het dan dat in de officiële theatergezelschappen er nooit schrijvers in vaste dienst zijn, laat staan schrijvers die de boel leiden? Een schrijver krijgt hoogstens eens opdracht, wordt daar een beetje voor betaald en dient vervolgens te hopen op wat auteursrechten. In het beste geval kan hij, zoals in Nederland, zijn 'groene boekjes' verkopen na de voorstelling. De theaterauteur als marktkramer. Bovendien: een theatermaker die zijn eigen teksten schrijft blijft een theatermaker die zijn eigen teksten schrijft en wordt bijna nooit aanzien als een... schrijver. Toch is het normaal dat een theaterschrijver zijn teksten zelf op de planken brengt. Shakespeare, Tsjechov, Müller, Molière, Brecht, Claus zijn niet alleen grote auteurs maar waren ook grote theatermakers. Misschien is dat het wat op onbegrip stuit? Dat, door de formatisering van onze maatschappij, het ieder-in-zijn-hokje-principe, men liefst een onderscheid maakt tussen theater maken en theater schrijven?

Ik zag onlangs een kookprogramma op de televisie. Er zijn nogal wat kookprogramma's op televisie omdat eten hier nu eenmaal niets meer te maken heeft met overleven maar met vermaak. Net zoals kunst overigens. Toch zijn er niet veel televisieprogramma's over kunst. En al helemaal niet over theater. Men zegt wel eens dat theater dan ook geen televisie is en dat is echt waar. Maar er bestaan zelfs zeer populaire televisieprogramma's over golf bijvoorbeeld. Niks zo spannends als het bijna onmogelijk filmen van een vliegend golfballetje. En theater op televisie kan niet. Dit is een zege. Maar ik had het dus over een kookprogramma... Het ging over de grootste kookwedstrijd ter wereld. Een wereldberoemde kok zei dat het, door zijn internationale karakter, een uiterst moeilijke wedstrijd is. In Europa moeten bepaalde vleessoorten roze gegeten worden wat in Latijns-Amerika not done is. Als kok moet je dus compromissen sluiten zonder aan kwaliteit in te boeten. Ik had nog nooit zo een heldere analyse gehoord over internationalisme. Mijn theaterwerk speelt zich voor zeventig procent af op de internationale markt. Ik eet mijn paardensteak graag saignant, maar in de Verenigde Staten eet men niks saignant en al helemaal geen paard. Wat te doen?

De nationalist zegt: "Laten we onder de klokkentoren blijven en met het vendel zwaaien." In de jeugdige halfnatie Vlaanderen zwaait men meer en meer met vendels. Zelfs bij de heiligverklaring van Pater Damiaan, het boegbeeld van internationale solidariteit, speelden enkele Vlamingen het klaar om als enige op het Sint-Pietersplein met een nationalistische vlag te zwaaien, maar dit ter zijde.

Ik ben zelf al heel wat jaren als toneelschrijver actief. Ik schrijf in het Nederlands en ik heb nog nooit mijn teksten in deze taal gehoord. Mijn heilige teksten worden verminkt en in meerdere talen tegelijk opgevoerd. Moest ik een dode theaterauteur zijn, ik zou me omkeren in mijn graf. Maar kijk, ik ben niet dood. Integendeel, ik voel mezelf laatgeboren en daardoor eeuwig jong. Als u begrijpt wat ik bedoel.

We leven op de rand van een nieuwe tijd. Een tijd waarin grote keuzes gemaakt zullen worden, dat voelen we allemaal. Dit maakt onze tijd ook enorm interessant. Welke keuze er ook gemaakt wordt: er zullen altijd zaken verdwijnen en andere in de plaats komen. In de nabije toekomst zullen heel wat talen verdwijnen, en geloof me geschiedenis kent geen spijt. Niemand treurt erom dat we geen Oudgrieks meer spreken om een taal te noemen die we ons nog herinneren. Vele talen zijn echter ook ongemerkt verdwenen in de plooien van de geschiedenis. Omdat taal nu eenmaal een toeval is.

Toch schrijft een schrijver in zijn moedertaal. Maar is dat een noodzakelijkheid? Welke keuzes hebben schrijvers in een geglobaliseerde samenleving? Stefan Zweig pleegde zelfmoord omdat hij niet in een andere taal dan de zijne kon schrijven. Nabokov schreef zijn beste werk niet in zijn moedertaal. Beckett schreef perfect in twee talen. De heilige afkomst, de zogeheten roots, is misschien nog een noodzakelijke maar ook romantische gedachte die op bepaalde momenten in de geschiedenis teveel nadruk krijgt. Men zegt dat er een aanval vanuit een ander sterrenstelsel moet komen voordat er een globale solidariteit kan bestaan, een gemeenschappelijke taal kan bestaan. Zover staan we dus met het interculturele.

Ik zie een zeer gezonde evolutie in het theater in de lage landen. De misschien onbedoelde elitaire houding van de theatermakers eind jaren zeventig en begin jaren tachtig, de interessantste onder hen, Jan Joris Lamers en Jan Decorte kozen voor heel kleine zalen en tien mensen publiek was hen zeer welkom. Ik herinner me de levendige gesprekken half jaren tachtig geleid door Hugo De Greef die aan heel wat theatermakers vroeg om toch de stap naar een grote zaal te zetten. (Zelfs een zeer dure groep als The Wooster Group weigerde voor meer dan tweehonderd mensen te spelen.) Men had een hartstochtelijke hekel aan de grote officiële schouwburgen en het officiële repertoire theater. Zeker in Vlaanderen werd dit theater dan ook volledig uitgeschakeld en ontstond er een nieuwe generatie theatermakers die wel meenden dat een grote zaal tot de opties behoorden. Men vallen en opstaan hebben mensen zoals Jan Fabre, Johan Simons, Ivo Van Hove, Guy Cassiers en ikzelf de grote zalen terug een meerwaarde gegeven. En daardoor het doodbloedende theater weer nieuw leven in geblazen, zonder het respect te verliezen voor het 'garagecircuit' van weleer maar met een vertienvoudiging van het publiek. En een vergroting van de mogelijkheden om meer theaterauteurs aan de bak te helpen. Let wel dit is een unieke evolutie die in geen enkel ander land gebeurd is.

Ik werk momenteel voor het Burgtheater in Wenen een masterplan uit om één en ander te vernieuwen in dit prachtige theater en ik kan u verzekeren ik voel me als Alice in Wonderland en ik besef nu dat de traditionele codes die in het Duitstalige theater gehanteerd worden enorm veel respect hebben voor de theaterauteurs. De gesprekken die ik daar voer en de vragen die gesteld worden zijn ook voor ons interessant. Een interessante vraag is bijvoorbeeld hoe de scherpzinnige dramaturgie van een Jan Joris Lamers van toepassing zou kunnen zijn in het Burgtheater met een zaal voor 1300 toeschouwers, een cast van wel 140 acteurs en met een nieuwe opdracht voor een auteur. Welke auteur vandaag de dag durft te denken aan grote verhalen gespeeld door een grote groep acteurs? Is de keuze om voor kleine gezelschappen te schrijven een artistieke of financiële keuze? Enzovoort. Dat soort vragen stel ik graag.

Wars van alle nationalisme en zonder frustraties zijn een aantal Nederlandstalige theatermakers gaan behoren tot de interessantste kunstenaars van deze tijd. Het is exotisch om door het leven te gaan als Hollander of Vlaming maar geloof me, eens de kunstjes die getoond worden goed zijn, zijn we universeel.

We leven nog in de naweeën van het postmodernisme en de alles- moet- kunnen mentaliteit die vaak leidde tot niks-is-nog-mogelijk. En dit in een tijd waarin kunst graag in diskrediet wordt gebracht. Maar kunst is taai en de grootste illusie die kunst ooit heeft voortgebracht is de illusie dat het niet noodzakelijk is. Zonder kunst, weet ik wel zeker, is het leven in een welvaartsmaatschappij niet de moeite waard. En een leven dient gemaakt te worden, niet zomaar geleefd.

Theaterschrijvers zijn ondergewaardeerd in de lage landen. Thomas Bernhard was nog een held, zij het een verguisde held. Over Brecht zeiden zelfs zijn rechtse vijanden dat ze het spijtig vonden dat zo een talent voor links had gekozen. In Chili zijn er evenveel literatuurprogramma's als kookprogramma's op televisie. In Frankrijk zijn er meerdere literatuurprogramma's per dag en wordt er op elk zichzelf respecterend festival veel aandacht gegeven aan de auteurs zelf. In Mexico zitten de beroemdste dichters in de nationale parken hun gedichten voor te dragen aan duizenden mensen. In Oostenrijk worden regelmatig oerlezingen gehouden in overvolle theaterzalen. Oké, wij zijn zij niet maar we hebben wel veel pretentie en de internationale festivals worden overspoeld met Vlaamse en in iets mindere mate met Nederlandse producties dus er bestaat een enorme waardering voor teksten en producties die niet enkel onder de klokkentoren een bestaansrecht zoeken.

Dat is nu net de kracht van kleine landen. Dat we door klein te zijn, sneller en soms helderder kunnen denken. Wij hebben momenteel de mondiale leiding over de performance-kunsten omdat we onafhankelijke kunstenaars hebben die weten dat de plek waar je geboren bent een toevallige plek is, niks om voor te sterven, wel om voor te leven. Als we al trots mogen zijn op onze Nederlandse taal dan komt dat omdat we het geen moeite vinden om drie ander talen te leren. Omdat we weten dat wat er tussen de lijntjes te lezen valt belangrijker is dan de lijntjes zelf. Daardoor begrijpen ze ons over gans de wereld zonder problemen en met veel respect.

Nog één ding wil ik hieraan toevoegen, speciaal voor de nieuwe Vlaamse minister van cultuur: mevrouw Schauvlieghe, we hebben hier in Vlaanderen, misschien wel het meest efficiënte subsidiesysteem van de wereld voor de podiumkunsten. Ook daardoor staan we aan de top. Het Angelsaksische model bijvoorbeeld, betekent niks op internationaal gebied en heeft Engeland cultureel armer gemaakt. U hebt goud in handen, mevrouw de minister, werk er hard voor, en vergeet de schrijvers niet, zij zijn het geweten van onze welvaartmaatschappij, begin alvast met ze te lezen en hopelijk begrijpt u er dan meer van. Want welvaart, mevrouw de minister, betekent dat veel mensen de mogelijkheid hebben om na te denken. En dat is één van de belangrijkste functies van kunst. Want ons vermaken, ach dat kan iedereen toch?

Dank u wel.

Jan Lauwers, 30 november 2009

19 november 2012