Taalunie Toneellezing 2010 - Rob de Graaf

Tekst: 
Martijn Nicolaas

 

Dames en heren,

Het is voor mij een eer en een genoegen om vanavond hier tot u te mogen spreken. Een eer is het, om door de Nederlandse Taalunie te zijn uitgenodigd een bijdrage te leveren aan deze feestelijke avond. Een eer ook, om door mijn aanwezigheid hier iets op te mogen vangen van het licht en de warmte waarmee de drie toneelschrijfsterren stralen die vanavond in het middelpunt van onze aandacht staan. Voor het werk van deze genomineerden heb ik grote bewondering.

Een genoegen is het dat deze avond zich hier in Utrecht afspeelt, de stad waar de enige voltijdse toneelschrijfopleiding van ons land is gevestigd - een opleiding waar ik als docent aan verbonden ben, een school waar ik de afgelopen jaren al lesgevend steeds meer heb geleerd over hoe je dat nu eigenlijk kunt doen, dat toneelschrijven. Daarover wil ik het ook met u hebben: over het toneelschrijven. En dan niet zozeer over de methoden en technieken die je voor toneelschrijven als ambacht nodig hebt - als u zich daarin wilt bekwamen, kom dan vooral als student naar die opleiding - maar over de plek van de tekst in de theaterpraktijk en ook over de positie van het teksttheater in onze cultuur.

Toen ik zelf begon met toneelschrijven was dat meteen verbonden aan de theaterpraktijk: er waren theatermakers die afkomstig waren uit het bewegingstheater en die, mogelijk als aanvulling op alle fysieke expressie die ze in hun werk legden, dringend verlegen zaten om woorden. In hun omgeving speelde ik de rol van Eénoog: ik was nu eenmaal de meest in taal geïnteresseerde. Ik tikte, tamelijk onbekommerd, mijn dialoogjes op de schrijfmachine, met het flesje Tipp-ex als belangrijkste censor, en meteen daarna werd er gespeeld - gespeeld in de kleinst denkbare kring van opleidingsstudio's of achter-achterafzaaltjes. Een betere, hardere en ook helderder les in de bruikbaarheid en onbruikbaarheid van mijn verbale exercities zou ik me niet hebben kunnen wensen. Ze vonden er wat van, die theatermakers - of niet. Ze konden er wat mee, die jonge beeldenstormers - of niet. Mijn harde werken en mijn goede bedoelingen speelden bij die oordeelsvorming geen enkele rol. Toneelschrijven is aanleveren, is woorden verzinnen die vervolgens op hun bruikbaarheid in ruimte en tijd worden onderzocht. 'Werkt het?' is misschien een banale en oppervlakkige vraag, maar het is toch ook de test die we als toneelschrijver keer op keer moeten doorstaan.

Belangrijker nog dan de omstandigheid dat de theatertaal die ik schreef meteen zijn toepassing vond in de theaterpraktijk is het voor mij geweest dat ik terecht kwam in een omgeving van theatermakers die zich qua opleiding en ambitie niet zozeer verbonden voelden met 'het toneel' en met het voor dat toneel geschreven repertoire. Het ging hun, en met hen ook mij, niet om wat je 'toneelstukken' moest noemen - de tekst kon zich ook beperken tot het fragment, de zin, het woord. De taal als één van de elementen, als één van de ingrediënten die in de theaterkeuken worden gebruikt en niet noodzakelijk als de primaire drager van de theatervoorstelling.

Vanaf die eerste tijd ben ik me er bij het toneelschrijven - om dat woord dan toch maar te gebruiken - van bewust gebleven dat de voorstelling waaraan ik mijn bijdrage lever niet begint met het eerste woord dat wordt gesproken, maar op het moment dat de toneellampen oplichten en ons een ruimte laten zien: een ruimte die iets verbeeldt, de ruimte van de verbeelding. In die ruimte, een ruimte die echt en kunstmatig tegelijk is, bevinden zich mensen - ook die mensen zijn echt, maar ze maken zich ondergeschikt aan de verbeelding die hier heerst. Ze hebben zich gewikkeld in een stof die ze van het alledaagse afzondert: de stof van hun rol. En dan pas, als we die mensen in hun kunstruimte hebben waargenomen, klinken de woorden - woorden waarmee een gefingeerde werkelijkheid wordt opgebouwd. Die nagebootste, verhevigde en aan vormkeuzen onderhevige werkelijkheid, een werkelijkheid waarin de dingen mooier zijn, of lelijker, dan in de werkelijkheid die we al kennen, waar de vormen uitgesprokener, de klanken welluidender of juist schriller en de kleuren helderder of juist tot een minimum gereduceerd zijn - misschien is dat de essentie van wat we met kunst willen. De verhevigde nabootsing die inzicht biedt.

Als ik het heb over 'aanleveren' en over de toneeltekst die 'een bijdrage levert', dan klinkt dat bescheidener dan ik het bedoeld heb, bescheidener ook dan ik ben. Ik weet heel goed hoe belangrijk en hoe bepalend het woord kan zijn als informatiedrager en als voertuig van de verbeelding, op het toneel zo goed als daarbuiten. Ik mag dan begonnen zijn als fragmentenschrijver, als een soort woordenetaleur en als kretenleverancier - ook ik ken de kracht van de theaterervaring die door een niet aflatende woordenstroom wordt bepaald. Zet twee mensen op twee stoeltjes in een kale ruimte, laat ze praten over wat er is gebeurd en wat ze hadden gehoopt om mee te maken, over hun herinneringen en hun verlangens, over hun pogen en hun tekortschieten - en je kunt je publiek een onvergetelijke avond bezorgen. Toneelstukken kunnen prachtig zijn, kunnen sterke en glanzende taalbouwsels zijn, kunnen alles zijn wat een gevoelige beschouwer nodig heeft - dat mag hier op deze toneelschrijfavond toch wel worden gezegd. Maar het doel van de toneelschrijver is niet het geschreven stuk - het doel is de voorstelling, is de theaterbelevenis.

We leven in een tijd van veelheid, van vervagende hiërarchieën, van een overaanbod aan niet te bevatten en nauwelijks nog te ordenen informatie. Een tijd van meervoud, van waarheden en wereldbeelden die naast elkaar bestaan; een tijd van vele middelpunten, waar de culturele dominantie steeds minder aanwijsbaar uit één richting komt. Een tijd waarin niemand meer kan hopen ook maar bij benadering een overzicht te hebben van alles wat belangrijk is - en waar we van de weeromstuit al blij mogen zijn als we de zaken in ons eigen kleine hoekje een beetje op orde hebben. Ooit heeft er misschien zoiets bestaan als 'een wereldbeeld,' een alles overkoepelend idee over hoe het was en hoe het moest zijn - maar dat beeld is allang aan scherven gevallen en die scherven zijn ons enige houvast.

In die verwarrende veelheid spelen wij als toneelschrijvers onze rol. Laten we daarom helder kijken en gevoelig zijn. Laten we die gebrokenheid, die onvolledigheid koesteren maar laten we ook de angst voor alle verwarring begrijpen en ook aan de onwilligheid een stem geven. We hebben als deelnemer aan het sociale leven met dat alles zelf te maken, maar we hebben als schrijvende observator tegelijk de aangename positie van de buitenstaander - de waarnemer die ziet, die interpreteert en die verwoordt.

Laten we daarom stukken schrijven waarin we het verlangen uitspreken naar de heelheid, de eenheid en het overzicht, maar waarin we ook getuigen van de oninlosbaarheid van dat verlangen. Laten we stukken schrijven, stukken blijven schrijven die verslag doen van de verwarringen van onze tijd. Stukken waarin we redeneringen opzetten die alweer worden overspoeld door andere gedachtegangen nog voordat ze tot een goed einde zijn gebracht. Stukken waarin mensen het ene waarheidsinzicht vervangen door het andere met hetzelfde gemak als waarmee je je in de loop van de dag kunt verkleden. Waarheid, zekerheid en veiligheid bestaan niet - maar voor het verlangen ernaar, dat soms sluimerende en dan weer hevig opvlammende verlangen, daarvoor kunnen wij de woorden vinden in onze toneelstukken. Stukken die de scherven aan een nauwkeurige beschrijving onderwerpen, stukken waarin blinden vertellen wat ze zien en waarin doven elkaar niet verstaan maar toch stug door blijven praten. Stukken waarin wordt gelachen om wat we allemaal niet weten en getreurd om wat we vergeten zijn.

Alle kunst wordt gemaakt uit materiaal dat door de tijd waarin ze ontstaat wordt aangereikt - en dus zal onze toneelschrijfkunst de sporen dragen van de verwarrende overvloed waarin wij leven, van het sentiment waardoor we ons bij gebrek aan helder inzicht laten meeslepen, van de tegenstellingen die zo alomtegenwoordig zijn dat we de heftigheid ervan nauwelijks nog opmerken. Die werkelijkheden laten we in onze toneelteksten zien - en dat dan op zo'n manier onder woorden gebracht dat ons publiek ze niet meer ervaart als normaal en onvermijdelijk maar zich erover verwondert. Dat is, denk ik, zo'n beetje de hoogste ambitie die wij kunnen hebben: niet dat we in de teksten die we schrijven onze eigen en eenduidige visie kunnen verwoorden, niet dat we tegenover de pijn van de versplintering de balsem van een ongebroken wereldbeeld kunnen zetten, maar doodgewoon dat we de mensen - en dus ook onszelf - een ogenblik laten nadenken over hun eigen gedrag en over de manier waarop we met elkaar en met de wereld omgaan. Straks wordt alles weer gewoon, maar even zijn we ons ervan bewust hoe wonderlijk en zich aan alle redelijkheid onttrekkend het allemaal is. Orde in de chaos scheppen kunnen we niet, maar erover nadenken en het onbegrijpelijke daardoor enigszins bevattelijk maken, dat kunnen we wel.

Daarmee kom ik op de plaats die kunst - en zeker ook de toneelschrijfkunst - heeft. Heeft, zou moeten hebben - en op korte termijn misschien niet meer kan hebben, tengevolge van het destructieve politieke klimaat dat is ontstaan. Wellicht vindt u het al te voorspelbaar en ook een beetje obligaat als, na alle prachtmanifestaties en begeesterde woorden die er de afgelopen weken al aan dit onderwerp zijn gewijd, ook hier en ook nu weer wordt blijk gegeven van bezorgdheid over de bezuinigingen op het cultuurbudget en de gevolgen daarvan. Maar ik ben ervan overtuigd dat we zo'n begrip als 'obligaat' soms letterlijk moeten nemen: wij, die de waarde kennen van kunst, die weten hoe we ervan kunnen genieten, hoe we erdoor in verwarring gebracht worden en hoe heilzaam dat kan zijn, wij die de ervaring hebben dat kunst je op andere gedachten brengt - op ons rust inderdaad de verplichting om eraan bij te dragen dat het grote goed dat kunst is blijft bestaan en dat het voor zoveel mogelijk mensen toegankelijk blijft.

En moet de overheid daarvoor zorgen? Zeker. Zoals de overheid zich verantwoordelijk, of in elk geval medeverantwoordelijk voelt voor de huizen en de steden waarin we wonen, voor de wegen waarover we ons verplaatsen en voor het onderwijs dat we genieten, zo moet die overheid zich er iets aan gelegen laten liggen dat onze verbeelding gevoed en onze verbeeldingskracht ontwikkeld wordt. En dat is wat de kunst, meer dan wat ook, kan doen. Kunst heeft een onmisbare, een verhelderende functie in het voortdurende proces van maken, breken en weer opbouwen dat we 'de maatschappij' noemen - en die functie is te essentieel om het vervullen ervan alleen maar aan de markt en aan het mecenaat over te laten. Te noodzakelijk ook om ons erbij neer te leggen dat alleen de mensen die het makkelijk kunnen betalen er toegang toe hebben.

Van kunst kunnen we genieten, door kunst beseffen we wat er is en wat zou kunnen bestaan. Laten we de kunst verkommeren, dan zal het zijn alsof we wonen in een huis zonder spiegels, een huis zonder vensters - spiegels waarin we kunnen zien wie we zijn, vensters die ons zicht geven op wat er buiten onze eigen kring bestaat. Het voorkomen van een dergelijke blikvernauwing is een taak die niet minder belangrijk is dan het zorgen voor schone lucht, voor veiligheid en voor werkgelegenheid. Een collectieve verantwoordelijkheid en dus ook een overheidstaak.

Van de kunst in het algemeen, en van de krachten waar die kunst door wordt bedreigd, wil ik teruggaan naar de kunstvorm waar het hier vanavond toch om draait: de toneelschrijfkunst. Het toneel kan zeker een kunstvorm met ouderwetse trekjes worden genoemd: je moet op een vastgestelde tijd naar een ongemakkelijk zaaltje, waar echte mensen in het hier en nu iets voor je doen, met alle feilbaarheid en onvolmaaktheid van dien. Dat kan toch sneller, efficiënter, perfecter en veel meer toegespitst op de individuele wensen van die ene kijker? Er is toch technologie? We zijn toch echt wel een stukje verder dan waar Shakespeare en de oude Grieken al waren? Wat moeten we dan nog met zweet en stoffige gordijnen? Met de kans dat het vandaag toch nét niet zo goed loopt als eigenlijk de bedoeling was? Met zo'n stuk dat iedere keer opnieuw met veel moeite in elkaar moet worden getimmerd om na anderhalf uur weer tot stof uiteen te vallen? Het enig mogelijke antwoord op dat soort vragen is: laten we daar juist trots op zijn. Hoe geavanceerder de techniek wordt waarmee we één op één iedere sensatie in haar meest virtuele perfectie kunnen nabootsen, hoe bijzonderder en hoe unieker het wordt om ergens om half negen te gaan zitten wachten tot het voordoek opgaat en een paar mensen hun kunstje weer laten zien. Juist de onvolmaaktheid, de onherhaalbaarheid, de onvermijdelijke beperktheid van de ambitie om met woorden, gebaren en een paar decorstukken een wereld na te bootsen - juist die beleving van de poging die altijd een poging zal blijven kan de rijkdom van de theatervoorstelling uitmaken. 'Ik was erbij toen het gebeurde, toen het écht gebeurde, daar, vlak voor m'n neus... En doordat ik erbij was, doordat ik dezelfde lucht inademde als die spelers met hun gefingeerde belevenissen, daardoor gebeurde er ook iets met mij...' Naast alle film-, computer- en televisieschermen zal deze ervaring zijn kracht behouden, daar ben ik van overtuigd.

Het toneel - en de toneeltekst als één van de bepalende elementen van die toneelervaring - zal zijn kracht en zijn positie behouden als we ernaar blijven streven om met een scherpe blik, een krachtig oor en een grote gevoeligheid te blijven kijken en luisteren naar de wereld om ons heen, als we ons ervan bewust zijn met wat voor twijfels en wat voor schijnzekerheden er in die wereld wordt rondgelopen - en als we de vragen die we daar tegenkomen niet zozeer van een antwoord voorzien als wel op een sensitieve en fantasievolle manier herformuleren.

Zoals ik daarnet al heb gezegd: we zijn hier vanavond vooral om eer te bewijzen aan de drie schrijvers die voor de Taalunie Toneelschrijfprijs zijn genomineerd. Ik vind het dan ook gepast om aan het slot van mijn verhaal uit ieder van hun teksten iets te citeren - een enkele zin waarin ik meen te herkennen waar het volgens mij bij het schrijven om hoort te gaan - om het observeren, het speculeren, het formuleren.

Toneel gaat over verwondering, weet ik als ik in het stuk 'Ik Calvijn' van Sophie Kassies lees:

Dat je een straathoek om gaat en ineens overstroomd wordt door zonnestralen. Een omhelzing van licht en warmte die jubel opwekt in het hart.

Toneel is vaak het verslag van een ontluistering, dat zie ik in deze regels uit 'Gif' van Lot Vekemans:

Wat als we in ons leven niks verder komen dan vandaag? Dan dit moment? Dat er niks beters, niks groters, niks mooiers komt? Dat dit het is?

En toneel heeft alles te maken met pogen, met falen en met het toch niet opgeven - dat besef ik als ik in 'Nachtevening' van Pieter de Buysser deze dialoog tegenkom:

Je wil dingen die je niet kan, net zoals je dingen doet die je niet wil.
Ik ben een mens
.

Laat ik, nadat ik eer heb bewezen aan deze woorden en aan de schrijvers ervan, toch nog één keer terug gaan naar Utrecht, naar de toneelschrijfopleiding hier een paar straten verder. Ik wil de hoop uitspreken dat de jonge schrijvers die daar nu aan het werk zijn ons zullen blijven verrassen met wat zij maken, met de scherven die zij zullen oprapen en oppoetsen, met hun inzichten in de onkenbare werkelijkheid, met hun boosheid, hun verwarring en verlangen, met de manier waarop zij als hardwerkende alchemisten uit het stof van de wereld schoonheid zullen scheppen.

Ik dank u voor uw aandacht.

19 november 2012