Veelgestelde vragen over ons taalbeleid

Taalbeleid van een overheid  is het geheel van maatregelen dat ze neemt om  het gebruik van een taal of meer talen te beïnvloeden, om het onderwijs in die taal te bevorderen, om de taal vast te leggen en eventueel normen voor te schrijven en om de rechten van bepaalde groepen op het behoud en het gebruik van hun eigen taal te waarborgen. Maatregelen zijn bijvoorbeeld wetten, subsidies of bewustwordingscampagnes.

De Taalunie is de beleidsorganisatie met als doel levendig en aantrekkelijk houden van het Nederlands, zowel binnen als buiten het taalgebied. Door mondialisering en digitalisering is de positie van een middelgrote taal als het Nederlands niet meer vanzelfsprekend. Vooral de invloed van het Engels op de talige cultuur is groot. Daardoor bestaat het risico dat het Nederlands aan belang inboet in cruciale maatschappelijke domeinen als wetenschap, economie, innovatie en onderwijs.

Om te zorgen dat het Nederlands een volwaardige taal blijft die in alle maatschappelijke domeinen wordt gebruikt, is een integraal taalbeleid vereist. De overheid heeft daarin een belangrijke taak. De Nederlandse, Vlaamse en Surinaamse overheid hebben hun verantwoordelijkheid voor het Nederlands toevertrouwd aan de Nederlandse Taalunie. Met Aruba, Curaçao en Sint-Maarten zijn samenwerkingsovereenkomsten gesloten. Eén grensoverschrijdende organisatie die het hele taalgebied verbindt.

Bekijk hier het filmpje over de Taalunie.

De Taalunie heeft drie hoofdtaken:

  • Taalbeleid De Taalunie verbindt verschillende organisaties met een hart voor het Nederlands. Bijvoorbeeld rondom onderwerpen als taalachterstand, literatuur, taal op de werkvloer en welzijn en participatie. De Taalunie verzamelt kennis, zoekt naar gedeelde belangen en inzichten en adviseert op basis daarvan beleidsmakers. Zo zorgt zij voor samenhang in het taalbeleid.
  • Taalinfrastructuur Spelling, woordenschat en grammatica zijn de basis van onze taal. De Taalunie is de autoriteit op deze gebieden en geeft taalgebruikers advies. Dat doet zij steeds meer online. Ook geeft zij taaladvies op maat aan diverse doelgroepen en sectoren, om te zorgen dat deze in het Nederlands blijven communiceren. Daarnaast stimuleert zij innovatieve bedrijven om nieuwe producten en toepassingen, zoals navigatiesystemen, spraakbesturing en automatisch voorlezen ook voor het Nederlands op de markt te brengen.
  • Taalgebruik De Taalunie fungeert als een denktank voor het onderwijs Nederlands. Ook maakt zij zich internationaal hard voor het gebruik van onze taal. Zij ondersteunt bijvoorbeeld docenten Nederlands in het buitenland, stimuleert mensen in andere landen om Nederlands te studeren en denkt mee over talige (culturele) activiteiten die het taalgebied internationaal op de kaart zetten.

Het onderwijs Nederlands in het buitenland draagt bij aan de promotie van het Nederlandse taalgebied, en dat heeft weer een positieve invloed op bijvoorbeeld toerisme en internationale kansen voor Nederlandse en Vlaamse bedrijven. Kinderen en jongeren uit de grensgebieden gebruiken het Nederlands voor hun contacten met Nederland en Vlaanderen: ze komen bij ons studeren of gaan werken bij bedrijven die zaken doen met de Lage Landen. Maar ook voor de sociale contacten met je buren van net over de grens is het fijn elkaars taal te spreken. Studenten die in het buitenland Nederlands leren, verzilveren hun kansen met onze taal. Vaak gaan ze voor Nederlandse of Vlaamse bedrijven werken, geven les, worden tolk/vertaler of doen onderzoek naar onze taal en cultuur. En zelfs als ze niet direct iets met het Nederlands doen, blijven het mensen die met veel interesse de ontwikkelingen in onze regio volgen.

Onder standaardtaal / Standaardnederlands verstaan we: de taal die algemeen bruikbaar is in het openbare leven, bijvoorbeeld in bestuur, rechtspraak, onderwijs, media en bedrijfsleven. Tot de standaardtaal behoren alle woorden, constructies, uitdrukkingen en uitspraakvormen die men in principe zonder problemen kan gebruiken in contacten met mensen buiten de eigen vertrouwde omgeving.

Lees meer over standaardtaal en geografische variatie

Voor de Taalunie staat de taaleenheid centraal, maar met ruimte voor elkaars eigenheden. Nederlanders en Vlamingen (Belgen) delen samen het Standaardnederlands en ze delen het samen met Surinamers, Arubanen, Curaçaoënaars, Sint-Maartenaren en alle anderstaligen die het zich eigen hebben gemaakt. Ondanks hun onmiskenbare onderlinge verschillen in uitspraak, woordenschat en zinsbouw, blijken zij elkaar prima te verstaan. De officiële spelling van het Nederlands, die in Taalunieverband wordt vastgesteld, houdt de taal in geschreven vorm mee samen en dat biedt nog een extra garantie op de toekomst.

Dit alles wil niet zeggen dat Nederlanders, Vlamingen (Belgen) en de anderen zich in hun gebruik van het Standaardnederlands ook op één en hetzelfde referentiegebied richten. De Vlamingen hebben zich voor hun standaardtaal lange tijd in sterke mate op de noordelijke norm gericht, maar niet alle recente evoluties uit het noorden worden ook nu nog door de Vlamingen (Belgen) overgenomen. Denk aan uitspraak, woordgebruik en zinswendingen. Omgekeerd hebben ook de Vlamingen (Belgen) zo hun eigen standaardtaalkenmerken die in Nederland wel bekend zijn, maar niet worden overgenomen.

Het Nederlands is een polycentrische taal, een taal met meerdere kernen, maar dat staat taaleenheid niet in de weg, net zomin als dat bijvoorbeeld voor het Engels, het Duits of het Frans het geval is. Het is goed dat Nederlanders en Vlamingen zich bewust zijn van hun onderlinge verschillen, dat is voor hun standaardtaal niet anders dan voor hun andere culturele eigenschappen. De Taalunie wijst dan ook via Taaladvies.net op onderlinge verschillen in de standaardtaal.

Signalen uit en initiatieven in het veld volgen we op de voet, brengen we bij elkaar en grijpen we ook aan om bij de bevoegde instanties in Nederland en Vlaanderen aandacht te vragen voor het voeren van een weloverwogen en samenhangend taalbeleid. De Taalunie gaat dus niet zelf op de barricades staan, maar vervult steeds een makelende en schakelende rol tussen wat leeft in het veld en wat wordt besloten door het beleid.

Het uitgangspunt van de Taalunie is: ‘als het Nederlands een volwaardige taal wil blijven, dan moet het in alle maatschappelijke domeinen worden gebruikt, dus ook in het hoger onderwijs en de wetenschap. Door de internationalisering van het hoger onderwijs en de wetenschap heeft het Engels de facto een sterke positie verworven, wat zich binnen ons taalgebied vooral manifesteert in de masteropleidingen aan onze universiteiten. De Taalunie blijft het Nederlands verdedigen als taal van onderwijs en wetenschap en ijvert voor een weloverwogen taalbeleid in het hoger onderwijs waarin onder meer vragen centraal staan als:

  • waarvoor worden de studenten opgeleid;
  • in welke beroepen en sectoren komen de studenten later terecht;
  • en wat betekent dat voor de noodzakelijke talige competenties van de studenten?’

Concreet wil de Taalunie zich sterk maken voor het gebruik van het Nederlands als instructietaal in het hoger onderwijs, de taalvaardigheid Nederlands van studenten in het hoger onderwijs en het gebruik van het Nederlands als wetenschapstaal, evenwel zonder de internationalisering van het hoger onderwijs en de wetenschap te negeren of te ontkennen.

Aanvullende informatie: http://over.taalunie.org/organisatie/raad-der-nederlandse-letteren/adviezen.

De wereld is een dorp geworden en in ons dorp is de hele wereld aanwezig. Dat brengt andere talen met zich mee en maakt van meertaligheid een realiteit, ook binnen Nederland en Vlaanderen zelf. Dat roept vragen op over de positie van het Nederlands. Net zoals de Taalunie ervan uitgaat dat het Nederlands kansen schept, ziet ze meertaligheid als een verrijking, met het Nederlands als onze eigen waardevolle bijdrage daaraan. Meer nog, de Taalunie is ervan overtuigd dat het Nederlands het best gedijt in een wereld van meertaligheid.

Voor het Nederlands is het belangrijk dat het in alle maatschappelijke domeinen een positie weet te behouden. Die domeinen kunnen gerust met andere talen worden gedeeld, maar voorkomen moet worden dat het Nederlands door die andere talen wordt verdrongen. Die bedreiging bestaat eigenlijk alleen maar als het Nederlands één-op-één in concurrentie met één andere taal wordt geplaatst, zoals het Engels, en niet als het Nederlands als (eerste) taal tussen vele andere talen blijft fungeren.

Omdat de aanwezigheid van meerdere talen geen bedreiging hoeft te vormen voor het Nederlands zelf en vooral van meerwaarde kan zijn voor de samenlevingen, benadert de Taalunie meertaligheid bewust positief. Tegelijkertijd blijft ze natuurlijk ook waken over de positie van het Nederlands zelf. Dat doet ze onder meer door het gebruik van het Nederlands en andere talen in diverse domeinen in kaart te laten brengen en op te laten volgen via de Staat van het Nederlands, een onderzoeksproject in samenwerking met het Meertens Instituut in Nederland en de Universiteit Gent in Vlaanderen. Op basis van de onderzoeksresultaten kunnen onderbouwde uitspraken worden gedaan en kan het maatschappelijk debat worden aangegaan. Dat laatste doet de Taalunie elk jaar met een Talendebat op de Europese Dag van de Talen in Brussel en tijdens het DRONGO talenfestival in Utrecht.

De Taalunie stelt de officiële spelling van het Nederlands voor de hele taalgemeenschap vast en maakt die bekend via Woordenlijst.org, maar het wettelijk voorschrijven ervan voor overheid en onderwijs gebeurt door de afzonderlijke overheden van Nederland, Vlaanderen en Suriname via hun eigen wet- en regelgeving. De Taalunie laat ook de normen van de standaardtaal beschrijven en ter beschikking stellen via Taaladvies.net, maar deze worden niet wettelijk voorgeschreven. Het gaat om gerichte adviezen aan mensen die zich bewust aan de normen van de standaardtaal willen houden, bijvoorbeeld om de taal zorgvuldig te gebruiken.

Meer informatie over spelling: http://taalunieversum.org/inhoud/meer-over-spelling.

Het al dan niet actief hulp verlenen aan vluchtelingen bij het leren van Nederlands, is een keuze die de betrokken overheden zelf maken. Nederland en Vlaanderen (België) gaan hier enigszins anders mee om. De Taalunie brengt hun verschillende aanpakken in kaart en bij elkaar om die onderling uit te kunnen wisselen en van elkaar te kunnen leren. 

Op vraag van de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren voert het Algemeen Secretariaat op dit moment een veldverkenning uit naar het onderwerp “Taal en vluchtelingen”. Daarbij wordt het onthaal van vluchtelingen in Nederland en Vlaanderen (België) in kaart gebracht en met elkaar vergeleken. Concreet wordt bekeken welke instanties en partijen bij dit onthaal betrokken zijn en welke rol zij op zich nemen in het leren van Nederlands, welke voorzieningen en materialen er voor vluchtelingen voorhanden zijn om Nederlands te leren en welke rol professionelen en vrijwilligers in dit leerproces vertolken. Tot slot zal ook aandacht worden besteed aan het perspectief van de vluchtelingen zelf, met name aan hun (talige) verwachtingen ten aanzien van het land waarin ze terecht zijn gekomen.

 

 

26 april 2017