Nieuwsberichten

Winnaars Taalunie Onderwijsprijs 2006 bekend

18/05/2006

Den Haag, 17 mei 2006

PERSBERICHT
WINNAARS TAALUNIE ONDERWIJSPRIJS

De winnaars van de Taalunie Onderwijsprijs 2006 zijn bekend. De prijs voor het basisonderwijs gaat naar Montessorischool de Regenboog uit Amsterdam zuidoost (NL). Voor het voortgezet/secundair onderwijs gaat de prijs naar het Provinciaal Technisch Instituut uit Eeklo (B). De prijzen van 8000 euro zijn op 17 mei uitgereikt door de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming Frank Vandenbroucke, in het Vlaams Parlement te Brussel.

De winnaars
'De verteltas' van Montessorischool de Regenboog uit Amsterdam Zuidoost (NL) stimuleert het lees- en voorleesplezier bij jonge kinderen met prachtige tassen vol verhalen en spelmateriaal en verhoogt de betrokkenheid van (allochtone) ouders bij het onderwijs.
Het Provinciaal Technisch Instituut uit Eeklo (B) heeft gewonnen met twee projecten: 'Veroordeeld tot gedichten', een uitdagend poëzieproject dat aansluit bij de belevingswereld van jongeren uit het technisch onderwijs en 'Een stap in het onbekende', een taakgericht taalvaardigheidstraject waarbij de leerling zelf instructeur wordt.

Het juryverslag en de uitgebreide projectbeschrijvingen in woord én beeld zijn te vinden op www.taalunieversum.org/onderwijs/onderwijsprijs. Ze worden tevens hieronder in de bijlagen afgedrukt.

De Taalunie onderwijsprijs
Met de Taalunie Onderwijsprijs brengt de Taalunie interessante initiatieven op het gebied van het onderwijs Nederlands in Vlaanderen en Nederland bij een breed publiek onder de aandacht. De Taalunie wil met deze voorbeelden andere scholen ertoe aanzetten om hun eigen onderwijs te vernieuwen. De prijs wordt tweejaarlijks uitgereikt, aan een project uit het basisonderwijs én een project uit het voortgezet/secundair onderwijs.

Nederlandse Taalunie
In de Nederlandse Taalunie voeren de Vlaamse, Nederlandse en Surinaamse overheid gezamenlijk beleid op het gebied van de Nederlandse taal, onderwijs en letteren. De Taalunie ziet het als haar opdracht om ervoor te zorgen dat alle Nederlandssprekenden hun taal op een doeltreffende en creatieve manier kunnen gebruiken. Meer informatie over de Nederlandse Taalunie is te vinden op www.taalunieversum.org.

---

Bijlagen, hieronder afgedrukt:

  • Juryrapport Taalunie Onderwijsprijs 2006
  • Projectbeschrijving 'De Verteltas' (Amsterdam)
  • Projectbeschrijving 'Veroordeeld tot gedichten' (Eeklo)
  • Projectbeschrijving 'Een stap in het onbekende' (Eeklo)
  • Projectbeschrijving 'Gedichtenroutes door de stad' (Sint Niklaas)
  • Projectbeschrijving 'Digitaal vertellen' (Teleac NOT)


    JURYRAPPORT TAALUNIE ONDERWIJSPRIJS 2006

    1. Taalunie Onderwijsprijs

    Op initiatief van het Platform Onderwijs Nederlands (PON) stelde de Nederlandse Taalunie een jaarlijkse prijs in voor projecten of scholen die zich op een innovatieve en doeltreffende wijze onderscheiden op het gebied van onderwijs in en van de Nederlandse taal. In 2000 werd de prijs een eerste maal uitgereikt aan een project voor het basisonderwijs, De Babbeldoos. In 2001 werd de prijs uitgereikt aan een project voor het voortgezet/secundair onderwijs, Luisteren en spreken. De Taalunie Onderwijsprijs heeft in 2003 een hervorming ondergaan en wordt sindsdien tweejaarlijks uitgereikt aan een project voor het basisonderwijs én aan een project voor het voortgezet/secundair onderwijs. In 2004 waren dat Het verhalenatelier voor het basisonderwijs en Bazar Zeeland voor het voortgezet/secundair onderwijs.

    De belangrijkste doelstelling die de Taalunie nastreeft met de Onderwijsprijs is het geven van een stimulans aan scholen om op een innovatieve en doeltreffende manier om te gaan met onderwijs in en van het Nederlands.
    Het geven van deze stimulans ziet zich vertaald in drie zaken:

  • een geldprijs van EUR 8000 voor de winnende scholen of de winnende projecten;
  • positieve media-aandacht voor de genomineerde scholen of projecten en in het bijzonder voor de winnende scholen;
  • de mogelijkheid voor de genomineerde scholen of projecten om kennis en inzichten te verspreiden en om tot uitwisseling met anderen uit het veld te komen, onder meer door beschrijvingen van de projecten op het internet en het maken van minidocumentaires van de genomineerde projecten.

    De doelgroep voor de prijs bestaat uit scholen voor basis- en voortgezet/secundair onderwijs in Nederland en Vlaanderen. Een school kan alléén insturen, maar projecten die breder dan een school lopen kunnen ook meedingen.

    Projecten of scholen die in aanmerking willen komen om door de jury beoordeeld te worden, moeten in ieder geval aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • het project moet gericht zijn op het bevorderen van de taalvaardigheid van leerlingen. Dit kan op afzonderlijke deelgebieden betrekking hebben: leesbevordering, ICT-gebruik, 'tutorsystemen' om leerlingen te ondersteunen, enz. Ook projecten die gericht zijn op de integratie van de verschillende vaardigheden/aspecten, zoals bijvoorbeeld de geïntegreerde aanpak voor allochtone en autochtone leerlingen, komen in aanmerking voor de prijs, evenals projecten gericht op taalgericht vakonderwijs;
  • het project moet breed gedragen en geïmplementeerd zijn binnen de school of de groep van scholen;
  • positieve effecten van het project op leerlingen moeten op een of andere manier zichtbaar gemaakt zijn, bij voorbeeld d.m.v. toetsresultaten;
  • de principes of uitwerkingen van het project zouden overdraagbaar moeten zijn op andere scholen.
    Verder let de jury op innovativiteit, doeltreffendheid en integratie in het reguliere onderwijs Nederlands.

    2. Taalunie Onderwijsprijs 2006

    De prijs voor het jaar 2006 gaat naar twee projecten: een project voor het basisonderwijs en een project voor het voortgezet/secundair onderwijs.

    2.1 Basisonderwijs
    Er werden tien projecten ingezonden waarvan er negen doorgingen naar de tweede ronde, vier uit Vlaanderen en vijf uit Nederland. Vier projecten werden ingediend door een school, vijf door een groep van met elkaar samenwerkende scholen. Drie projecten waren afkomstig uit het speciaal of buitengewoon onderwijs, zes uit het reguliere basisonderwijs. Deze projecten werden bezocht door een prospector die een uitgebreid dossier samenstelde op basis waarvan de jury zich een oordeel kon vormen over de verschillende projecten. Elk dossier heeft de jury beoordeeld op basis van de hierboven genoemde criteria.
    De jury neemt de vrijheid om tegen de achtergrond van bovenstaande criteria over de ingediende projecten enkele opmerkingen van algemene aard te maken.
    In de eerste plaats merkt de jury op dat het innovatieve karakter van nagenoeg alle projecten vooral gelegen is in het verbeteren van de bestaande onderwijspraktijk. Zo gaat het onder meer om het verbeteren van de resultaten bij het onderwijs in technisch lezen, om het nog sterker en systematischer stimuleren van de leesbeleving, om het beter op elkaar afstemmen van individualiserend onderwijs (Montessori) en het geven van instructie bij begrijpend lezen, en om het versterken van de samenwerking tussen school en ouders. Dit verwondert de jury niet. Projecten uit het basisonderwijs hebben vaak een sterk praktijkgericht karakter.
    In de tweede plaats valt het de jury op dat relatief veel projecten, namelijk zeven de negen, betrekking hebben op het onderwijs in lezen (inclusief woordenschatontwikkeling). In een aantal projecten wordt geprobeerd de resultaten van het onderwijs in lezen met het accent op techniek te verbeteren. Bij andere projecten gaat het om het verbeteren van de leesbeleving door een reeks van losse activiteiten op elkaar af te stemmen of door het verwoorden van leeservaringen in een logboek. In een project is het streven erop gericht de ontwikkeling van de woordenschat een impuls te geven door het combineren van woorden en beelden. Bij dit alles is het interessant om te constateren dat voor het oplossen van hetzelfde probleem verschillende wegen worden ingeslagen. Zo probeert men op een groep van scholen voor speciaal (bijzonder) basisonderwijs de resultaten bij technisch lezen te verbeteren via het toepassen van een gedetailleerde, nauwkeurig voorgeschreven strategie. Op een andere school van hetzelfde type probeert men hetzelfde te doen via een reeks van losse activiteiten die een sterk beroep doen op de zelfstandige verwerking door de leerlingen.
    In de derde plaats merkt de jury op dat zeven van de negen projecten afkomstig zijn van scholen met relatief veel leerlingen die van huis uit een andere moedertaal spreken dan de Nederlandse en leerlingen met een vertraagde dan wel moeizaam verlopende taalontwikkeling. Ook dit gegeven verwondert de jury niet. Zij vindt het begrijpelijk dat juist bij het onderwijs aan leerlingen bij wie de taalontwikkeling niet gemakkelijk of vanzelfsprekend verloopt, de beperkingen van gebruikelijke routines en in gebruik zijnde onderwijsleermaterialen zich het eerst doen voelen.
    In de vierde en laatste plaats valt het de jury op dat van slechts twee projecten gegevens over de resultaten beschikbaar zijn. Vaststellen van wat is bereikt, is kennelijk lastig gebleken. Wellicht hangt dit opnieuw samen met het feit dat het voornamelijk gaat om projecten die in de praktijk van alledag zijn ontstaan.

    De jury hecht er aan met nadruk op te merken dat zij met veel waardering de projecten heeft bezien. Alle projecten getuigen van een geweldige inzet voor de taalontwikkeling van de leerlingen. Meer in het bijzonder getuigen ze van een intense betrokkenheid bij de belangen van vooral die leerlingen die voor hun taalontwikkeling in overwegende mate afhankelijk zijn van de inspanningen van de school. De projecten komen voort uit een hartverwarmend engagement voor de leerlingen die de betreffende scholen aan zich toevertrouwd weten.
    Uit het voorafgaande blijkt reeds dat het voor de jury niet eenvoudig was de eerder omschreven criteria in alle gevallen precies en op dezelfde manier toe te passen. Het was onmogelijk om, in een volgorde van voorkeur, diverse projecten te nomineren voor de Onderwijsprijs 2006. De kwaliteit van een aantal projecten verschilt weinig. Het ene project nomineren zou, naar de mening van de jury, inhouden dat het andere te kort wordt gedaan. Daarom heeft de jury besloten slechts één project te nomineren. Dit betekent dat de Taalunie Onderwijsprijs voor het basisonderwijs gaat naar:

    De Verteltas van Montessorischool de Regenboog te Amsterdam

    In dit project maken ouders en leerkrachten aantrekkelijk vormgegeven stoffen tassen die een prentenboek bevatten om (interactief) uit voor te lezen en diverse spel- en leermaterialen die het thema van het prentenboek tastbaar maken. Elke verteltas biedt bovendien een cd met het verhaal, als ondersteuning voor ouders met een beperkte taalvaardigheid in het Nederlands. De leerkrachten en leidsters gebruiken de verteltassen op verschillende niveaus en in verschillende situaties en de kinderen mogen de tas ook meenemen om er thuis met hun ouders aan te werken.
    Door het werken met de verteltassen wordt de leesomgeving en de taalontwikkeling van de kinderen en de ouders versterkt en samenwerking gerealiseerd tussen thuis, school en peuterspeelzaal.

    Dit is niet het eerste project met als doel het stimuleren van de taalontwikkeling van (onder meer anderstalige) kinderen en hun ouders. Het is evenmin het eerste project waarbij allochtone ouders van in het beginstadium betrokken worden. Wat de jury echter enorm charmeerde, was de warmte en het enthousiasme die dit project uitstraalt en de aantrekkelijke vorm die men koos: de verteltas.
    Die vorm brengt met zich mee dat zowel de (anderstalige) ouders als de kinderen via de inhoud van de tas kennismaken met tot dusver onbekende verhalen en boeken. In een speelse benadering is het kind niet afhankelijk van de Nederlandse taalvaardigheid van de ouders. Het verhaal kan immers ook beluisterd worden op een bijgeleverde cd.
    De tassen zijn erg populair. Het grootste deel is voortdurend uitgeleend. Bovendien zijn ze inmiddels volledig opgenomen in de gang van zaken op school, waar ze ook gebruikt worden: door leraren, door ouders in het zogeheten Vertelhuisje, door oudere leerlingen die voorlezen aan de jongste kinderen. Ook in organisatorisch opzicht is het project in de schoolpraktijk verankerd: een commissie van ouders beheert en verzorgt de inmiddels omvangrijke collectie tassen (circa 80). De jury roemde de gevarieerde selectie van de tassen, het ruime en kwalitatief hoogstaande aanbod.
    Naar de stellige indruk van de school gaat van het gebruik van de verteltassen een stimulerende en verrijkende werking uit op de taalontwikkeling van de leerlingen (en hun ouders). In welke mate dat het geval is, moet echter nog worden vastgesteld.
    Ten slotte heeft de jury overwogen dat het project op relatief eenvoudige wijze ook op andere scholen kan worden uitgevoerd, mede dankzij het ontwikkelde Handboek Verteltassen en een trainingsboek voor lerarenopleiders en schoolbegeleiders.

    2.2 Voortgezet/secundair onderwijs
    Er werden zeven projecten ingezonden voor het voortgezet/secundair onderwijs. Zes projecten gingen door naar de tweede ronde, vijf uit Vlaanderen en een uit Nederland. Deze projecten werden bezocht door een prospector die een uitgebreid dossier samenstelde op basis waarvan de jury zich een oordeel kon vormen over de verschillende projecten. De prospectoren bezochten scholen en betrokken instellingen die zich op enthousiaste wijze inzetten voor het onderwijs in en van het Nederlands. De gedrevenheid van sommige leerkrachten die in hun eentje of met beperkte middelen erin slaagden om hun leerlingen enthousiast te maken voor het vak Nederlands was opvallend en lovenswaardig.
    Drie projecten werden genomineerd voor de Taalunie Onderwijsprijs 2006.

    Gedichtenroutes door de stad van Berkenboom Humaniora uit Sint-Niklaas

    Creatief omgaan met poëzie: daarvoor trekt het Instituut Berkenboom in Sint-Niklaas op de Gedichtendag alle registers open. De zesdejaars werken een compleet en gevarieerd poëzieproject uit, zoeken hiervoor locaties in de stad en nodigen de rest van de school uit om met hun creaties kennis te maken langs twee poëzieroutes. Niet alleen oefenen de leerlingen hun taalvaardigheid, ze krijgen een groter hart voor poëzie en leren tegelijk organiseren en hun verantwoordelijkheid nemen.

    De jury vond het interessant de groei van dit project te observeren. De prospector die de school bezocht, verwoordde het als volgt: "Wat eerst een klasgebeuren was, werd een schoolgebeuren en nu gaat men buiten de school de stad in." Deze brede schoolwerking en de aandacht voor de verschillende culturen van de leerlingen trok de aandacht van de jury.
    Alle leerlingen van Berkenboom worden bij de Gedichtendag betrokken en de hele school wordt omgetoverd tot een poëziepaleis. De voornaamste spelers zijn echter de laatstejaars. Zij organiseren de Gedichtendag zelfstandig. Hun leerkrachten vervullen enkel een coachende rol. De leerlingen kunnen een creatieve rol op zich nemen (het voordragen van gedichten, het uitwerken van een creatief concept voor een bepaalde locatie in de stad, het versieren van de school) of een organisatorische functie (het uitstippelen van diverse routes en andere logistieke taken). Hoe gemotiveerd de laatstejaars raken binnen dit project blijkt ook duidelijk uit het feit dat ze veel vrije tijd investeren in het opzetten en uitwerken van hun ideeën.
    De zelfstandigheid van de leerlingen, de verschillende werkvormen (muziek, theater, voordracht), de voorrang van het proces op het product en het accent op het eigen talent konden op veel waardering van de jury rekenen. De voorstellingen op Gedichtendag en de zorgvuldig uitgewerkte routes zijn resultaten waar de leerlingen terecht trots op zijn. Door dit project hebben zij niet alleen poëzie leren waarderen, maar vaak ook een stuk zelfbewustzijn en zelfstandigheid gewonnen. De positieve feedback die ze krijgen van leerkrachten en medeleerlingen uit de hele school op de producten of voorstellingen die zij eigenhandig gecreëerd hebben, zorgt voor een belangrijke impuls in hun eigenwaarde. Zowel bij de jongeren uit het algemeen secundair onderwijs als bij deze uit de technische richting van Berkenboom.
    De jury wil Berkenboom We onthouden tips meegeven voor een verdere verdieping en optimalisering van het project 'Gedichtenroutes door de stad':

  • het project kan nog beter geïntegreerd worden in het reguliere onderwijs Nederlands en het curriculum;
  • het is belangrijk om een doorgaande leerlijn te creëren. Nu verdwijnt de dynamiek samen met de zesdejaars. Er zou reeds in vroegere leerjaren bewust op een creatieve manier omgegaan kunnen worden met poëzie;
  • het leereffect bij de leerlingen is niet duidelijk en niet onderzocht. Er kunnen heldere leerdoelen gekoppeld worden aan het project waardoor het eveneens makkelijker wordt om het leerproces van de leerlingen binnen dit project te evalueren.

    Digitaal vertellen

    Voor sommige leerlingen zijn taaltaken wel een bijzonder hoge berg om tegenaan te kijken. Tot ze die berg zelf vorm mogen geven. Digitaal vertellen is een multimediaal project van Schooltv waar leerlingen van de meest uiteenlopende onderwijsniveaus mee aan de slag kunnen. Leerlingen vertalen een verhaal in beeld en geluid en leren op die manier basisprincipes uit de camerawereld. Tijdens de lessen Nederlands leren ze een scenario, script en storyboard maken. In de daaropvolgende workshop maken ze een filmpje.

    De grote kracht van het project 'Digitaal vertellen' is het functionele kader dat het biedt waarin leerlingen op een zinvolle, plezierige, creatieve manier bezig zijn met het schrijven en bewerken van verhalen. De taakgerichte aanpak en het aantrekkelijke eindresultaat motiveert de jongeren. Het project stimuleert gesprekken in de klas. De jury was onder de indruk van de doordachte didactiek die hierachter schuilt waarbinnen reflectie en peer-evaluatie een belangrijke plaats innemen.
    Bovendien sluit het project perfect aan bij de leefwereld van de jongeren, die dag in dag uit geconfronteerd worden met en leven in een beeldcultuur. Doordat de eindproducten van de jongeren, de afgewerkte clips, vertoond worden op Teleac, krijg je een proces waarin leerlingen schooltv maken voor andere leerlingen. Een mooi gegeven. De jury prijst verder de vakoverschrijdende opzet en het innovatieve karakter van het project. Voor het vak Nederlands en het curriculum vormt 'Digitaal vertellen' een nieuwe aanpak.
    De jury stelt zich echter wel vragen bij de overdraagbaarheid en mogelijke verdere verspreiding van Digitaal vertellen. Teleac en de clipcoach die zij uitzenden, vormen immers een onmisbare schakel. Het zou lovenswaardig zijn om uit te zoeken of er aan dit project geen "train de trainer"-traject gekoppeld kan worden waarin de leerkrachten Nederlands of culturele vorming opgeleid worden om zelf de taken van de clipcoach over te nemen in de toekomst. Een tweede mogelijke verdiepingsstap zou ook zijn om er nog een aspect van reflectie op massamedia en informatiestromen aan te verbinden. Jongeren worden geconfronteerd met de huidige beeldcultuur zonder wapens om er kritisch mee te leren omgaan. Deze leegte zou gekoppeld aan een project als 'Digitaal vertellen' opgevuld kunnen worden.

    Twee projecten van het Provinciaal Technisch Instituut uit Eeklo

    Het Provinciaal Technisch Instituut (PTI) uit Eeklo verdient de hoogste lof en los van beide projecten wil de jury de school een pluim geven voor de manier waarop zij omgaat met taal en in het bijzonder met taal gekoppeld aan de praktijkvakken. Uit beide projecten blijkt dat het Nederlands op het PTI de plek krijgt dat het verdient en dit alles gericht op een doelgroep waarvoor taalonderwijs niet vanzelfsprekend is.

    Veroordeeld tot gedichten

    'Poëzie is iets voor meisjes'. Dat vooroordeel leeft sterk bij jongens uit het technisch en beroepsonderwijs. Met traditionele lesmethodes slaagt de leraar Nederlands er niet in daar verandering in te brengen. Daarom kiest het PTI Eeklo voor een meer projectmatige aanpak. Vier jaar lang, van het derde tot het zesde jaar, zijn leerlingen taakgericht en creatief met poëzie bezig. Hun persoonlijke belevenissen en hun leefwereld staan daarbij centraal. Naast literatuuronderwijs krijgen ook taalvaardigheid en sociale vaardigheden een belangrijke plaats. Het resultaat is zoveel als een omwenteling.

    De jury was erg onder de indruk van dit poëzieproject waarin een moeilijke doelgroep op een hoogstaand niveau poëzie leert te waarderen en te analyseren. De valkuil van het traditionele poëzieonderwijs dat uitsluitend uit analyse bestaat, wordt hier vakkundig vermeden. Het poëzieonderwijs wordt gekoppeld aan een productieproces dat de creativiteit van de jongeren aanspreekt, maar waarin analyse evenmin ontbreekt. De jongeren luisteren naar elkaar en beoordelen elkaars werkstukken en gedichtenkeuze (peer-evaluatie). De jury noemde het project een verademing en gebruikte woorden als: verrassend, innovatief en getuigend van veel durf gezien de doelgroep. Als positieve elementen roemde de jury ook nog de doorlopende leerlijn (het project loopt over drie jaren en leerlingen groeien erin mee), de integratie in het reguliere onderwijs Nederlands en de eenvoudige transfermogelijkheden naar andere scholen die hiermee aan de slag zouden willen gaan.
    Als aandachtspunten wilde de jury meegeven dat de evaluatie van het gehele proces en de eindproducten bewaakt moet worden en dat het project op dit ogenblik gedragen wordt door één gedreven leerkracht. Verdere inbedding in de school of een breder draagvlak zouden deze kwetsbare positie kunnen verstevigen.

    Een stap in het onbekende

    We onthouden negentig procent van wat we zelf aan iemand uitleggen. Dit pedagogisch paradigma zet het PTI Eeklo heel doelgericht om in de praktijk. De vierdejaars Bouw (beroepsonderwijs) van de school gaan op bezoek bij de leerlingen Drama van een school in Goes en krijgen er een theaterinitiatie met als eindpunt: zelf een voorstelling geven. Op hun beurt krijgen de leerlingen Drama initiatielessen decorbouw van het vierde Bouw. Daarnaast zakken vierdejaars Consumptief vanuit Goes naar Eeklo af om een muur te leren metselen. De Eeklose leerlingen ontwikkelen daarvoor een presentatie en lesmateriaal. Eenvoudige en efficiënte communicatie staat centraal in dit project, dat een schoolvoorbeeld is van taakgericht taalonderwijs.

    De jury was vol lof over dit project en roemde het schoolbrede draagvlak, de samenwerking tussen praktijkleerkrachten en taalleerkrachten, de eenvoudige overdraagbaarheid naar andere scholen en de integratie in het reguliere onderwijs Nederlands. De functionele aanpak waarin eenvoudige leersituaties gecreëerd worden en de nodige taalvaardigheden in een natuurlijke context aan bod komen, verdient volgens de jury navolging. De leerlingen uit de doelgroep zijn vaak moeilijk te motiveren en hebben echt baat bij dit project waarmee de kloof tussen theorie- en praktijklessen gedicht wordt en zijzelf het nut van taal en communicatie inzien. De uitwisseling tussen Nederland en Vlaanderen biedt nog een extra dimensie. Het vergroot de horizon van de leerlingen en brengt hen in contact met een tikje andere cultuur en een tikje ander taalgebruik van het buurland.
    De prospector die de school bezocht vond "de resultaten indrukwekkend in al hun eenvoud" en daar was de jury het volmondig mee eens. Met eenvoudige middelen worden prachtige leerresultaten geboekt. Een gouden greep, noemde de jury het project.

    De jury heeft dan ook besloten om het Provinciaal Technisch Instituut met beide projecten, 'Veroordeeld tot een gedicht' en 'Een stap in het onbekende', uit te roepen tot winnaar van de Taalunie Onderwijsprijs 2006 voor het voortgezet/secundair onderwijs.


    PROJECTBESCHRIJVING 'DE VERTELTAS'
    1e katholieke Montessorischool De Regenboog te Amsterdam

    Hoe leer je kinderen beter lezen en geef je ze meer leesplezier? In de 1e katholieke Montessorischool 'De Regenboog' in Amsterdam maken ouders en leerkrachten Verteltassen. Dat zijn aantrekkelijk vormgegeven stoffen tassen met daarin een prentenboek, een luistercd en verscheidene spel- en leermaterialen. De leerkrachten en leidsters gebruiken de Verteltassen op verschillende niveaus en in verschillende situaties. De kinderen mogen de tas ook meenemen om er thuis met hun ouders aan te werken.
    Dankzij de Verteltassen worden de leesomgeving en de taalontwikkeling van de kinderen en de ouders versterkt. Taalachterstand bij kinderen wordt vroeger ontdekt, ouders worden meer bij het onderwijs betrokken en er is een betere samenwerking tussen thuis, school en peuterspeelzaal.

    School en omgeving

    De 1e katholieke Montessorischool De Regenboog in Amsterdam is een kleurrijke school. Samen met een aantal andere basisscholen ligt ze in het stadsdeel Zuid-Oost van de historische havenstad.
    In het Montessorionderwijs staat het individuele kind met zijn individuele onderwijsbehoefte centraal. De kinderen krijgen veel ruimte om zelf te doen en te ontdekken in de zogenaamde voorbereide omgeving, die hen uitnodigt om zelfstandig te leren. Op een Montessorischool kan een kind alleen of samen met anderen werken. De leeftijden van kinderen binnen de klas verschillen. Zo kunnen jongere kinderen leren van oudere, meer ervaren leerlingen.
    De Regenboogschool vindt het, zeker in een multiculturele stad als Amsterdam, heel belangrijk dat kinderen zich goed kunnen uitdrukken en besteedt daarom specifieke aandacht aan taalvorming. Bij taalvorming wordt taal gezien als middel waarmee je kunt uitdrukken wat je waarneemt, meemaakt, voelt en wilt. Door taal op deze manier voor zichzelf te gebruiken, leren kinderen steeds beter hun taalvaardigheid te ontwikkelen. Tegelijk leren ze meer te vertrouwen op de deskundigheid die ze door persoonlijke ervaringen ontwikkelen. Op deze manier is taal niet een doel van lessen, maar een communicatiemiddel.

    Aanleiding voor het project

    Op de Amsterdamse Regenboogschool zitten leerlingen met veel verschillende culturele en maatschappelijke achtergronden. Veel van deze kinderen zijn gebaat bij extra stimulering van de woordenschatontwikkeling en bij extra aandacht voor geletterdheid. Om de belangstelling van kinderen voor boeken te wekken en hun woordenschat te vergroten, is de school in 2003 gestart met het Verteltassenproject. Ouders en leerkrachten ontwikkelen daarbij samen nieuwe Verteltassen en onderhouden de bestaande.
    Verteltassen stimuleren het leesplezier, breiden de woordenschat uit van ouder en kind en bevorderen de participatie van ouders bij het onderwijs. Het concept werd ontwikkeld in Engeland in 1995 door een oud-onderwijzer, die inmiddels directeur is van het National Storysacks Project. In veel andere landen zijn vergelijkbare initiatieven tot stand gekomen. Want het gebruik van Verteltassen blijkt niet alleen effectief en heel populair bij kinderen, het biedt ook talrijke mogelijkheden om interactief voor te lezen.

    Doelstelling

    Het Verteltasproject streeft vier grote doelen na:
    de taalontwikkeling van ouders en kinderen stimuleren;
    ondersteuning bieden bij het voorlezen;
    het lees- en voorleesplezier vergroten;
    ouderparticipatie bevorderen.

    Doelgroep

    Het Verteltasproject is bestemd voor peuters en basisschoolkinderen, met speciale aandacht voor kinderen die Nederlands niet als moedertaal hebben. De tassen worden gebruikt vanaf de peutergroep tot aan de bovenbouw. Leerlingen uit de bovenbouw houden tevens Verteltassessies met kleuters en controleren de Verteltassen. Daarnaast is het project gericht op ouders. De Verteltassen gaan mee naar huis, met de bedoeling dat ouders interactief gaan voorlezen. Ouders zijn ook op school nauw betrokken bij de uitvoering van het project.

    Opzet

    Ouders en leerkrachten werken samen in een commissie. Ze ontwikkelen nieuwe Verteltassen en onderhouden de bestaande. De kern van het werken met de Verteltas is de interactie tussen kind en volwassene. In de Verteltas is ondersteunend materiaal aanwezig om de woordenschat te vergroten en om taal, geletterdheid, rekenvaardigheden en wereldoriëntatie te bevorderen. De prentenboeken, cd's, spel- en leermaterialen in de Verteltassen bieden ouders talloze mogelijkheden daartoe. Zo kunnen de ouders samen met het kind naar het ingesproken verhaal luisteren, samen de spelletjes doen of het verhaal naspelen met de attributen.
    Daarnaast krijgen ouders aanwijzingen hoe ze interactief kunnen voorlezen en hoe ze effectieve gesprekken met kinderen kunnen voeren naar aanleiding van het verhaal. Die aanwijzingen staan in de 'leeswijzer' die in elke Verteltas zit. Bovendien wordt er een speciale cursus 'taalstimulering' op school aangeboden. In deze cursus komen de volgende onderdelen aan bod: werken met de Verteltas, interactief voorlezen, gesprekken voeren met kinderen en nieuwe woorden aanbieden.
    De Verteltassen worden uitgeleend en in de thuissituatie door ouders en kinderen gebruikt. Daarnaast in het ook een project van de ouders zelf; het sluit aan bij de doelstellingen van ouderparticipatie en educatief partnerschap. De nadruk ligt daarbij op een andere manier van contact en overleg met ouders:
    laagdrempelig, informeel contact;
    veilige samenwerking;
    contact met duidelijke afspraken en informatie;
    wederzijds leereffect.

    Uitvoering

    Ouders en kleuters krijgen drie weken lang een bepaalde Verteltas mee naar huis. Het is een aantrekkelijke stoffen tas met voorop een prent uit het prentenboek.

    Elke Verteltas bevat:
    een prentenboek;
    een cd, waarop het boek is ingesproken;
    een non-fictieboek met informatie over het belangrijkste thema uit het prentenboek;
    werkbladen, werkjes en spelletjes die betrekking hebben op het thema van de tas, met name taal-, wereldoriëntatie- of rekenspelletjes om specifieke vaardigheden te verbeteren;
    knuffels, handpoppen, vingerpoppen of verkleedkleren, waarmee het boek uitgespeeld kan worden en het verhaal tot leven kan komen;
    attributen uit het boek;
    een leeswijzer;
    een schriftje waarin ouders hun ideeën en opmerkingen over de Verteltas op schrijven; het kind kan in het schrift een tekening of verwerking over de Verteltas maken.

    De leerkracht neemt de tassen op een afgesproken ochtend in ontvangst en noteert in een kaartenbak dat hij terug is. Een groepje ouders en bovenbouwers controleert de ingeleverde tassen. Aan elke tas hangt een geplastificeerde kaart met daarop een opsomming van de inhoud. Als er iets ontbreekt, wordt dat genoteerd. Een groep ouders werkt wekelijks aan het op orde houden van de tassen en het ontwikkelen van nieuwe tassen.

    Alle complete Verteltassen worden aan de Verteltassenkapstokken gehangen. Deze staan op een centrale en opvallende plaats in de school.

    Het boek in de Verteltas is het uitgangspunt voor de keuzeactiviteiten in de ochtend. Eerst haalt de leerkracht één voor één alle onderdelen uit de tas. Ze worden door haar benoemd en op het kleedje in de kring gelegd. Vervolgens leest ze samen met de hele groep het boekje. Ze past de principes van interactief voorlezen toe. De kinderen zijn vertrouwd met het boek. Een aantal heeft deze tas ook al mee naar huis gehad en kan vaak grote delen van de tekst letterlijk mee zeggen.
    Nadat het verhaal is gelezen, kiezen de kinderen in tweetallen voor een verwerkingsactiviteit uit de tas. Beurtelings mogen enkele kleuters bovendien een Verteltas van de kapstok uitzoeken en met één van de aanwezige ouders naar het Vertelhuisje gaan. De ouder heeft de sleutel, doet het deurtje open om de exclusiviteit van het lezen in het Vertelhuisje te onderstrepen en nestelt zich samen met de kleuters in de dikke kussens. Daar leest hij interactief voor. De kleuters koesteren tijdens het lezen de knuffels die uit de tas zijn gekomen en praten mee met het verhaal.
    Na het voorlezen haalt de ouder verwerkingsspelletjes uit de tas. Het Vertelhuisje kan ook gebruikt worden door een leerling uit de bovenbouw die interactief voorleest aan één kleuter. Deze voorleesleerling heeft eerder al instructies gekregen over de aanpak in het Vertelhuisje.

    Organisatie

    Op het microniveau (werken met kinderen) biedt de Verteltas een scala aan gebruiksmogelijkheden. Leerkrachten en peuterleidsters gebruiken de tas in hun groep, bovenbouwleerlingen en ouders lezen ermee voor in het Vertelhuisje en ouders gebruiken de tas in de thuissituatie met hun kinderen.
    Op het niveau van de school wordt het project gedragen door een leerkracht/coördinator en een ouder. Samen met een aantal ouders vormen zij de Verteltascommissie. Zij ontwikkelen nieuwe tassen, coördineren de uitleen, teruggave en controle van de verteltassen. Zij delegeren taken naar andere ouders, zoals het maken van tassen, knippen en plakken. Deze vaste kern van ouders vervult een brugfunctie naar de andere ouders.
    Op bovenschools niveau werken de initiatiefnemers van het project inmiddels aan een verdere verspreiding van de methodiek. Dit gebeurt in samenwerking met de Stichting Nederlands Kenniscentrum Verteltassen. Vanuit de Stichting Verteltassen worden er presentaties en workshops op andere scholen en belangstellende organisaties verzorgd. Ook worden er 'train de trainer'-cursussen gegeven aan onderwijsondersteunende instellingen en aan begeleiders binnen en buiten scholen.

    Middelen

    Materiaal
    De Regenboog beschikt op dit moment over een honderdtal Verteltassen.

    Tijd
    De tijdsbesteding, zowel thuis als in de klas, is heel wisselend. De introductie van de tas vergt meer tijd dan de latere herhalingen. Kinderen werken ook zelf met de tas en luisteren bijvoorbeeld naar de cd, zo'n sessie is weer korter.

    Menskracht
    De leerkracht werkt in de klas met de tassen. Ouders en leerlingen van de bovenbouw werken op de gang in het vertelhuisje met kleine groepjes kinderen. Een veel grotere commissie van leerkrachten/ ouders en bovenbouwleerlingen maakt en onderhoudt de tassen.

    Financiën
    De kostprijs voor het maken van een Verteltas is verschillend en hangt af van de gebruikte materialen. Ouders maken tassen vrijwillig en schenken veel materialen voor de Verteltas. Het meeste geld gaat naar de prentenboeken en informatieve boeken, maar een school kan ook boeken gebruiken van de schoolbibliotheek.

    Planning
    Met de Verteltas wordt zowel thuis als in de klas gewerkt.

    Resultaten

    Qua ouderparticipatie heeft het Verteltasproject op De Regenboog zichtbaar resultaten opgeleverd. De ouders die Verteltassen mee naar huis krijgen tonen meer betrokkenheid bij wat er op school gebeurt. De ouders die meewerken met het maken van de Verteltassen worden aangesproken op hun eigen capaciteiten en zijn medeverantwoordelijk voor een stukje onderwijs. Uit videomateriaal en verhalen van ouders blijkt dat de tassen thuis intensief en met veel plezier worden gebruikt. Ook wat de doelstelling van meer (voor)leesplezier betreft, zijn de resultaten duidelijk. Zowel kinderen als ouders zijn enthousiast over de verteltassen. De tassen brengen voor hen de verhalen inderdaad echt tot leven en het interactief voorlezen heeft zich tot een vanzelfsprekende routine ontwikkeld.
    Ten aanzien van de taalontwikkeling (waaronder woordenschat) stellen de leerkrachten vooruitgang vast bij kinderen die thuis regelmatig met de verteltas werken. Waar die vooruitgang precies in zit en waardoor die precies wordt veroorzaakt, is echter nog onduidelijk.
    Het Verteltasproject vergroot het vertrouwen om Nederlands te spreken en bevordert integratie. De inhoud van de Verteltas brengt verhalen voor kinderen tot leven, helpt ze spelenderwijs om ideeën, gevoelens en verhoudingen te verkennen en om mondelinge vaardigheden te ontwikkelen. Bovendien stimuleert het project het leesplezier en bevordert het ouderparticipatie bij het onderwijs.

    Tip

    De Regenboogschool is klein begonnen met het Verteltasproject. Intussen heeft de school veel ervaring en deskundigheid opgedaan, maar klein beginnen blijft het advies. Het succes van de Verteltassen hangt niet af van het aantal tassen maar staat of valt met het enthousiasme van de mensen die er mee bezig zijn: de kinderen, de ouders en de leerkrachten. Daar dient de inzet dus vooral op gericht te zijn. Het is een proces.
    Voor scholen die zelf met Verteltassen willen werken, heeft de Stichting Verteltassen workshops en trainingen ontwikkeld. Na het volgen van een workshop kan je het 'Handboek Verteltassen' bestellen. Dat beschrijft op concrete wijze, stap voor stap, hoe de Verteltassen gemaakt kunnen worden en hoe ze een plaats kunnen krijgen in het taal- en leesonderwijs van een school. Naast aanwijzingen voor het maken van de tassen en het kiezen van verwerkingsactiviteiten bevat het handboek een aantal nuttige voorbeeldbrieven om ouders te informeren en activeren.
    Voor coördinatoren, begeleiders en opleiders die de Verteltasmethodiek op een school willen introduceren en implementeren, is een 'train de trainer'-cursus ontwikkeld, die verscheidene malen per jaar wordt georganiseerd.

    Bronnen

    Hoogh de, J.W. en Groot-Yadgar de E. 2005, 'Mag ik de Verteltas van het Lieveheersbeestje' - De Wereld van het Jonge Kind. Vol. 32: 162-165
    Hoogh de, J.W. , Groot-Yadgar de E. en Meer van der I. 2006, Reader voor de Train de Trainer Cursus Verteltassen. - Amsterdam: Stichting Nederlands Kenniscentrum Verteltassen
    Hoogh de, J.W. en Groot-Yadgar de E. 2005, Handboek Verteltassen - Amsterdam: Stichting Nederlands Kenniscentrum Verteltassen

    Contactinformatie

    1e Katholieke Montessorischool De Regenboog in Amsterdam
    Josien Branbergen en Joke de Hoogh
    Telefoon: 020 - 697 21 76
    E-mail: j.branbergen@regenboogamsterdam.nl

    Efrat de Groot-Yadgar
    Stichting Nederlands Kenniscentrum Verteltassen
    centrum@verteltas.nl

    www.regenboogamsterdam.nl
    www.verteltas.nl


    PROJECTBESCHRIJVING 'VEROORDEELD TOT GEDICHTEN'
    Provinciaal Technisch Instituut, Eeklo

    'Poëzie is iets voor meisjes'. Dat vooroordeel leeft sterk bij jongens uit het technisch en beroepsonderwijs. Met traditionele lesmethodes slaagt de leraar Nederlands er niet in daar verandering in te brengen. Daarom kiest het PTI Eeklo voor een meer projectmatige aanpak. Vier jaar lang, van het derde tot het zesde jaar, zijn leerlingen taakgericht en creatief met poëzie bezig. Hun persoonlijke belevenissen en hun leefwereld staan daarbij centraal. Naast literatuuronderwijs krijgen ook taalvaardigheid en sociale vaardigheden een belangrijke plaats. Het resultaat is zoveel als een omwenteling.

    School en omgeving

    Het Provinciaal Technisch Instituut in Eeklo is een school voor technisch en beroepssecundair onderwijs (tso/bso), gelegen in een landelijke omgeving in Oost-Vlaanderen. De stad Eeklo (wat 'eikenbos' betekent) is meer dan 800 jaar oud en telt ruim 19 000 inwoners. Ze is de hoofdstad van het Meetjesland, een landelijk gebied tussen Gent en Brugge.
    De school, die ongeveer 1 000 leerlingen telt, rekruteert vooral autochtone leerlingen uit de brede omgeving. Tso-leerlingen hebben de keuze hebben uit verschillende studierichtingen: Industriële Wetenschappen, Elektro-Mechanica, Elektriciteit-Elektronica, Mechanische Technieken, Elektro-, Hout- en Bouwtechnieken. Leerlingen die beroepssecundair onderwijs (bso) volgen, hebben de keuze uit nijverheidsrichtingen zoals metaal, hout en bouw. Verdere specialisatie is mogelijk via zevende specialisatiejaren (regeltechnieken, fotolassen, renovatie bouw). Ook de Middenschool en het Centrum voor Volwassenenonderwijs zijn in het PTI gevestigd.

    Beschrijving van het project

    Aanleiding

    Leerlingen uit het technisch secundair onderwijs (tso) zijn minder literatuur-minded dan leerlingen uit het algemeen secundair onderwijs (aso). Dat geldt a fortiori voor hun houding tegenover poëzie. En het wordt nog moeilijker als je poëzie verkocht wil krijgen aan een overwegend mannelijk publiek in nijverheidstechnische studierichtingen, zoals mechanica en elektriciteit. 'Poëzie is sentimenteel' en 'Poëzie is iets voor meisjes' zijn vaak gehoorde vooroordelen. Het falen van de traditionele les Nederlands om deze leerlingen warm te maken voor poëzie was de directe aanleiding om het over een andere boeg te gooien.

    Doelstelling

    Doel van het project is leerlingen uit het technisch secundair onderwijs (tso) te doen ontdekken dat een goed gedicht ook een technisch goed bedacht ding is en op die manier ook hun interesse te wekken voor de inhoud van gedichten. In het verlengde daarvan wil het project bereiken dat deze leerlingen hun vooroordelen tegenover poëzie overboord gooien en daarbij inzien dat poëzie een avontuur is waarvoor je verbeelding en al je zintuigen nodig hebt. De leerlingen leren hun associatief vermogen maximaal te gebruiken.

    Doelgroep

    Leerlingen uit het technisch secundair onderwijs (tso), tweede en derde graad.

    Opzet

    Tijdens een traject dat vier leerjaren in beslag neemt, worden de leerlingen op verschillende manieren vertrouwd gemaakt met poëzie. De klemtoon ligt op doen: niet enkel poëzie lezen, maar er creatief mee werken en zelf poëzie schrijven. In het zesde jaar (= het vierde jaar van het traject) verdedigen de leerlingen hun favoriete dichter voor een poëzietribunaal.
    De leerlingen leren:
    dat er een waaier van recepten voor het lezen en schrijven van interessante poëzie voorhanden is;
    dat ze hun kijk op poëzie op verschillende manieren kunnen vormgeven;dat poëzie deel uitmaakt van hun persoonlijke leefwereld;
    Doordat de leerlingen ervaren dat hun analyse, hun mening, hun interpretatie waardevol is en ernstig wordt genomen, ontwikkelen ze bovendien een sterker zelfbeeld.

    Uitvoering

    Het project neemt vier leerjaren in beslag en start in het derde jaar. De leerlingen zijn dan 14 à 15 jaar oud. Er is een duidelijke leerlijn aanwezig:

    1. De doos van Pandora
    Fase 1: Derdejaarsleerlingen kiezen individueel een gedicht uit een pakket van bundels en bloemlezingen voor jongeren en volwassenen. De leraar maakt vooraf een selectie om de kwaliteit van de gedichten te garanderen. Gedichten lukraak van het world wide web plukken mag niet. Poëzie die daar te vinden is, laat qua kwaliteit vaak te wensen over.
    Fase 2: Elke leerling verwerkt zijn interpretatie van dat gedicht niet woordelijk, maar associatief-beeldend. Dat doet hij concreet door in een doos vier voorwerpen te stoppen die naar de inhoud van het gedicht verwijzen. De leerlingen stoppen in de doos ook één voorwerp dat niets met het gedicht te maken heeft, maar dat bij hen negatieve gevoelens oproept.
    Fase 3: Een leerling beschrijft de doos van een medeleerling. Hij brengt de illustraties en de voorwerpen die in de doos zitten in verband met het bijhorend gedicht. Let wel, op dat moment kent hij het gedicht van zijn medeleerling niet, hij kan enkel gissen naar de inhoud ervan.
    Fase 4: De twee leerlingen discussiëren over de betekenis van het gedicht. De andere leerlingen luisteren en proberen te achterhalen wat de 'juiste oplossing' is. Het gaat er niet om of de interpretatie correct is, wel of ze volledig is, geënt op wat er werkelijk in het gedicht staat en of de interpretatie beantwoordt aan wat men zich bij de lectuur van het gedicht kan voorstellen. De leerlingen maken op een spontane manier associaties.
    Fase 5: De maker van de doos leest zijn gedicht voor, bespreekt de verwerking ervan en vertelt iets over het voorwerp dat bij hem negatieve gevoelens oproept. Later zal dat voorwerp als basis dienen om zelf een gedicht te schrijven. Ook hier komen de andere leerlingen aan bod, door met de maker van de doos te discussiëren over zijn interpretatie van het gedicht.
    De fasen 3, 4 en 5 worden hernomen tot alle leerlingen aan bod zijn gekomen.

    2. Gedicht op smaak
    Fase 1: Groepjes van vierdejaars kiezen een gedicht uit een pakket bundels en bloemlezingen.
    Fase 2: De leerlingen kiezen een recept uit een kookboek, waarvan de smaak en kleur overeenstemmen met de 'tonaliteit' van het gekozen gedicht; ze maken het gerecht klaar. Daarbij moeten ze samenwerken met het keukenpersoneel van de school.
    Fase 3: Medeleerlingen bekijken en proeven het gerecht en proberen te bedenken waarover het gedicht gaat. Ook hier gaat het er niet om of de interpretatie correct is, wel of ze volledig is, geënt op wat er werkelijk in het gedicht staat en of de interpretatie beantwoordt aan wat men zich bij de lectuur van het gedicht kan voorstellen. De leerlingen maken op een spontane manier associaties.
    Fase 4: Zoals in een kookprogramma presenteren de makers hun gedicht. Ze beschrijven de manier waarop ze het gerecht hebben klaargemaakt, leggen de link met het gedicht en interpreteren het van daaruit. Ze maken een menukaart en gebruiken daarbij de poëtische taal die in de betere restaurants gehanteerd wordt. Ook hier komen de andere leerlingen aan bod: met de 'koks' wisselen ze van gedachten over hun interpretatie van het gedicht én over elkaars kookkunsten.
    De fasen 3 en 4 worden hernomen tot alle leerlingen aan bod zijn gekomen.

    3. Bijklank / Een wereldreis doorheen gedichten
    3.1 Bijklank
    Fase 1: De vijfdejaars gaan in groepjes van drie op zoek naar gedichten met veel klankkleur en proberen die bij een bepaald muziekgenre onder te brengen.
    Fase 2: De leerlingen schrijven een songtekst met gelijkaardige klankkleur.

    3.2 Een wereldreis doorheen gedichten
    Fase 1: Elke leerling kiest een gedicht in vertaling, dus geen Vlaams of Nederlands gedicht, maar een gedicht uit een ander land. Hij verzamelt vijf typische beelden uit dat land van gebouwen, natuur of mensen. Bovendien verzamelt hij informatie over het aantal inwoners, de economische situatie, de culturele blikvangers of hoogtepunten van het land. Daarnaast spoort hij informatie op over de auteur van het gedicht en bespreekt hij de vorm en de inhoud van het gedicht. Dat alles verwerkt hij in een dossier en in een PowerPointpresentatie.
    Fase 2: Elke leerling toont de andere leerlingen enkele typische beelden van het land. De klas probeert te raden over welk land het gaat. Daarna houdt de leerling een presentatie over het land en koppelt daaraan zijn bespreking van het gedicht. Op die manier ontstaat een gesprek over culturele verschillen en over de sporen daarvan in literatuur.

    4. Gedichtentribunaal
    Fase 1: In het begin van het schooljaar kiezen alle zesdejaars een dichter en zijn werk uit de literaire canon. Er worden een aantal namen gesuggereerd van dichters met werk uit verschillende stromingen, van de naoorlogse poëzie tot de jongste generatie.
    Fase 2: De leerlingen zoeken informatie op over de dichter. Ze verzamelen ook recensies van zijn werk (zowel positieve als negatieve). Aan de hand daarvan bereiden ze een verdediging van hun dichter voor.
    Fase 3: Tijdens een poëzietribunaal houdt elke leerling een pleidooi voor de kwaliteiten van zijn dichter. Vooraf zoeken ze negatieve recensies over de dichters van hun medeleerlingen op, om die dichters te 'beschuldigen'.

    Middelen

    Materiaal
    Een ruime keuze van poëziebundels en bloemlezingen, dozen, illustratiemateriaal, voorwerpen, kookboeken, boeken met songteksten, cd's, het world wide web en documentatie over het verloop van een zitting in de rechtbank. Veel materiaal ontwikkelen de leerlingen zelf.

    Tijd
    Het project neemt tien lesuren per schooljaar in beslag. Daarnaast gebeuren sommige voorbereidingen door de leerlingen thuis.

    Menskracht
    Honderd leerlingen van vier leerjaren worden in het project begeleid door drie leerkrachten. Dat is het maximum. Dit project verdraagt geen grootschaligheid, want er is intimiteit nodig om over poëzie te spreken met elkaar.

    Financiën
    Er zijn geen grote structurele kosten.

    Planning
    Het project loopt gedurende enkele weken in elk leerjaar.

    Resultaten

    De leerlingen:
    krijgen interesse voor een voor hen niet voor de hand liggend literair genre;
    leren associatief en creatief lezen, denken, verwerken en schrijven;
    leren hun verbeelding gebruiken;
    luisteren gericht naar elkaars mening en leren discussiëren;
    leren argumenteren.
    Het verloop van het project, de eindproducten en verscheidene taalvaardigheden worden beoordeeld door de leerkracht en door de medeleerlingen (peer evaluation). Dat de leerlingen voor poëzie gewonnen zijn, blijkt uit het groeiend plezier waarmee ze tijdens het traject gedichten lezen. Omdat het project zoveel succes heeft, zal het zeker worden voortgezet.

    Transfermogelijkheden

    Het project kan zonder veel problemen worden overgezet naar andere scholen, zolang men maar oog heeft voor intimiteit en kleinschaligheid.

    Contactpersoon

    Paul Demets
    Tel. 003 293 707 373 (centraal nummer Provinciaal Technisch Instituut Eeklo)
    p.demets@ptie.oost-vlaanderen.be

    Woordverklaring

    Een verklarende woordenlijst van Nederlandse en Vlaamse onderwijstermen vind je op http://taalunieversum.org/onderwijs/termen


    PROJECTBESCHRIJVING 'EEN STAP IN HET ONBEKENDE'
    Provinciaal Technisch Instituut Eeklo (in samenwerking met het Goese Lyceum)

    We onthouden negentig procent van wat we zelf aan iemand uitleggen. Dit pedagogisch paradigma zet het PTI Eeklo heel doelgericht om in de praktijk. De vierdejaars Bouw van de school gaan op bezoek bij de leerlingen Drama van een school in Goes en krijgen er een theaterinitiatie. Aan het eind daarvan geven ze zelf een voorstelling. Op hun beurt krijgen de leerlingen Drama initiatielessen decorbouw van het vierde BSO-Bouw. Daarnaast zakken vierdejaars Consumptief vanuit Goes naar Eeklo af om een muur te leren metselen. De Eeklose leerlingen ontwikkelen daarvoor een presentatie en lesmateriaal. Eenvoudige en efficiënte communicatie staat centraal in dit project, dat een schoolvoorbeeld is van taakgericht taalonderwijs.

    School en omgeving

    Het Provinciaal Technisch Instituut in Eeklo is een school voor technisch en beroepssecundair onderwijs (tso/bso), gelegen in een landelijke omgeving in Oost-Vlaanderen. De stad Eeklo (wat 'eikenbos' betekent) is meer dan 800 jaar oud en telt ruim 19 000 inwoners. Ze is de hoofdstad van het Meetjesland, een landelijk gebied tussen Gent en Brugge.
    De school rekruteert leerlingen uit de brede omgeving. Die hebben de keuze uit verschillende studierichtingen binnen de sectoren metaal, hout en bouw, bv. Industriële Wetenschappen, Elektro-Mechanica, Hout- en Bouwtechnieken, Lassen. Verdere specialisatie is mogelijk via zevendejaaropleidingen (bv. Regeltechnieken, Fotolassen, Renovatie bouw). Ook de Middenschool en het Centrum voor Volwassenenonderwijs zijn in het PTI gevestigd.
    Dit project, waarbij wordt samengewerkt met een school over de grens, staat niet op zichzelf.
    Eerdere projecten werkten volgens hetzelfde principe, waarbij leerlingen van twee scholen met verschillende studierichtingen haast letterlijk een stap in het onbekende zetten en van elkaar leren. Zo was er in het schooljaar 2004-2005 een kook- en lasinitiatie, en dit schooljaar een dramatweedaagse, een metsel- en kookinitiatie en een decorbouwsessie. Op het programma voor de toekomst staat onder meer een internationale bouwwedstrijd.

    Beschrijving van het project

    Aanleiding

    Jaarlijks ontmoeten de leerkrachten van het PTI Eeklo leerkrachten van een andere school. Op die manier maken zij kennis met de schoolcultuur en didactische werkvormen van hun collega's. De overstap naar taakgericht onderwijs via een samenwerkingsproject met leerlingen is dan ook snel gemaakt.

    Doelstelling

    Het project streeft drie grote doelstellingen na:
    de leerlingen ontwikkelen waardering en openheid voor elkaar, voor het vakgebied van andere leerlingen en voor onderlinge culturele verschillen;
    de leerlingen bouwen expertise op in hun eigen vakgebied, waarin ze feitelijk als leerkracht gaan fungeren;
    de leerlingen overbruggen taalbarrières en oefenen hun taalvaardigheid.
    De school, ten slotte, wil structureel contactmomenten inbouwen tussen Vlaamse en Nederlandse jongeren.

    Doelgroep

    Leerlingen uit het beroepssecundair onderwijs (bso).

    Opzet

    De leerlingen zetten letterlijk - zoals de naam van het project doet vermoeden - een stap in het onbekende. Zij krijgen het bezoek van een vmbo-school in Goes en voeren twee opdrachten uit:
    ze stellen hun school aan de Goese leerlingen (vierdejaars Consumptief horeca) voor via een PowerPointpresentatie die ze vooraf hebben gemaakt;
    ze leren de Goese leerlingen een muur bouwen met een venster en een deur erin.
    De Nederlandse leerlingen hebben geen enkele voorkennis van metselen, opvoegen en bouwen. Elke leerling uit Eeklo begeleidt een leerling uit Goes, geeft hem instructies, feedback enz.

    Uitvoering

    De leerlingen, vierdejaars Bouw (bso), leerden hun partnerschool in Goes kennen via een bezoek (dramaopdracht) eerder in het schooljaar. Nu is een klas vierdejaars Consumptief horeca (vmbo) op bezoek in Eeklo.
    Fase 1: De leerlingen maken met het programma PowerPoint een presentatie van hun school. De leerkracht legt enkel uit wat de elementen van een goede presentatie zijn, de rest moesten de leerlingen zelf doen. Zij focussen daarbij op de grote lijnen van de schoolorganisatie en op de verschillen tussen hun school en die van Goes.
    Fase 2: Elke leerling krijgt een leerling van Goes toegewezen, die hij instructies moet geven en begeleiden voor een opdracht: een muur metselen met venster en deur erin en de muur opvoegen. Dat moet hij doen in een eenvoudige taal en met korte demonstratiemomenten. Vooraf hebben de leerlingen korte opdrachten (met een inleiding) gekregen om een bouwplan te maken, om voorwerpen uit te leggen enz. Het welslagen van de opdracht staat of valt immers met efficiënte en duidelijke communicatie. De leerlingen uit Goes kennen van metselen en opvoegen zo goed als niets. Zij voeren de instructies uit en stellen eventueel vragen.
    Fase 3: Enkele weken later komen de leerlingen Drama van Goes naar Eeklo. Dan bouwen zij mee een decor voor een voorstelling. De Vlaamse leerlingen geven de Nederlandse leerlingen instructies en helpen ze.

    Middelen

    Materiaal
    Materiaal ontwikkeld door de leerlingen: PowerPointpresentatie, schema rondleiding en uitleg bij lastoestellen, bouwplan.

    Tijd
    Het project duurt twee dagen (totaal: 16 uur). De voorbereiding voor de presentatie en het lesmoment neemt acht uur in beslag.

    Menskracht
    Veertig leerlingen doen aan het project mee, begeleid door twee leerkrachten. Het is de bedoeling het project uit te breiden naar andere studierichtingen en eventueel andere scholen.

    Financiën
    De kosten zijn relatief laag. Enkel het vervoer moet worden bekostigd en dat wordt fundamenteel gedragen door de provincies Oost-Vlaanderen en Zeeland.

    Resultaten

    Algemeen
    De relatie leraar-leerling verandert. Omdat de leerlingen het goed willen doen, vragen ze assistentie aan de leraar. Ook hij gaat zich medeverantwoordelijk voelen voor het welslagen van het project.

    Voor de leerlingen:
    Alle leerlingen zijn bij het project betrokken, dus niet alleen de beste metselaars of de meest taalvaardige leerlingen.
    De leerlingen van beide scholen zijn erg enthousiast over het geheel. De Nederlandse leerlingen zijn trots dat ze de muur zo goed hebben gebouwd en de Vlaamse leerlingen zijn trots dat hun 'leerlingen' het zo goed gedaan hebben.
    Doordat de leerlingen niet weten bij wie ze precies zullen terechtkomen, kunnen zij niet vertrekken vanuit vooroordelen die belemmerend kunnen werken. Door het 'doen', het 'maken' van zaken ontstaat een heel grote openheid die grensoverschrijdend werkt.
    De leerlingen ervaren hun talige taken (de school voorstellen, uitleg geven ...) niet als schools. Ze beseffen dat ze taal nodig hebben om een goede indruk na te laten, om een goede muur neer te zetten ...
    Allerlei vooroordelen worden weggenomen: vooroordelen van Nederlanders tegenover Vlamingen en omgekeerd, vooroordelen tegenover metselen (want dat bleek veel ingewikkelder te zijn dan verwacht), vooroordelen tegen leerkrachten.
    Het zelfbeeld van de Vlaamse leerlingen is duidelijk heel positief geëvolueerd.

    Voor de leerkrachten:
    Bij het hele project worden voortdurend andere leerkrachten dan mensen die Nederlands als vak geven, betrokken (lassen, metselen, drama, koken ...). Zij ervaren de meerwaarde voor hun eigen vak (wat je kunt uitleggen, beheers je beter) en voor de taalvaardigheid van de leerlingen.
    Ook de leerkrachten uit Goes en de adjunct-directeur vinden het geweldig. Zij gaan ervoor zorgen dat iets dergelijks ook zou gebeuren als Vlaamse leerlingen komen koken.
    Zowel theorie- als praktijkleerkrachten werken samen om het project te realiseren. De directie steunt het initiatief, ook al brengt het soms het normale schoolleven/de lessenrooster in het gedrang. Ook andere leerkrachten accepteren deze 'buitenschoolse' activiteit, omdat ze er de meerwaarde van inzien.

    Conclusie
    Een degelijk uitgewerkt project van gedreven leerkrachten, dat door de leerlingen met veel enthousiasme wordt onthaald. De resultaten zijn indrukwekkend in al hun eenvoud.

    Transfermogelijkheden

    Doordat het concept zo wonderlijk eenvoudig is, kan elke school het overnemen.

    Contactpersonen

    D. Vandecasteele, Henk Vlerick
    Tel. 003 293 707 373
    henk.vlerick@scarlet.be

    Woordverklaring

    Een verklarende woordenlijst van Nederlandse en Vlaamse onderwijs termen vind je op http://taalunieversum.org/onderwijs/termen


    PROJECTBESCHRIJVING 'GEDICHTENROUTES DOOR DE STAD'
    Berkenboom Humaniora, Sint-Niklaas

    Creatief omgaan met poëzie. Daarvoor trekt het Instituut Berkenboom in Sint-Niklaas op Gedichtendag alle registers open. De zesdejaars werken een compleet en gevarieerd poëzieproject uit, zoeken hiervoor locaties uit in de stad en nodigen de rest van de school uit om langs twee poëzieroutes kennis te maken met hun creaties. Niet alleen oefenen de leerlingen hun taalvaardigheid, ze krijgen een groter hart voor poëzie en leren tegelijk organiseren en hun verantwoordelijkheid nemen.

    School en omgeving

    Het Instituut Berkenboom is een vrije katholieke school in het Oost-Vlaamse Sint-Niklaas, een stad van bijna 70 000 inwoners midden in het van oorsprong agrarische Waasland. De stad is genoemd naar zijn patroonheilige; de heilige Nicolaas van Myra, beter gekend als Sint-Nicolaas, de gulle kindervriend. De school heeft een traditie die teruggaat tot het jaar 1659, toen enkele 'geestelijke dochters' huisjes huurden om de plaatselijke jeugd te onderwijzen. Meermaals werd de school het slachtoffer van machtswisselingen in de geschiedenis, maar steeds weer bleef ze overeind of werd ze - na een korte sluiting - heropend. Vandaag kunnen leerlingen er les volgen in het algemeen secundair onderwijs (Latijn, Economie, Wiskunde, Wetenschappen, Moderne Talen) en het technisch secundair onderwijs (Boekhouden-Informatica).

    Beschrijving van het project

    Aanleiding

    Vanaf de start van Gedichtendag in 1998 wordt er op school op die dag een initiatief rond poëzie genomen. Al zes jaar lang organiseren de zesdejaars activiteiten voor de directie, de leerkrachten en alle andere leerlingen. De voorbije jaren waren er poëtische speurtochten door het schoolgebouw, een Arabisch hoekje met vertaalde poëzie en muntthee, gedichten in stripvorm, aquaria met drijvende poëzie, een fotocollage van leerlingen met hun favoriete dichtregel, een groeigedicht op de speelplaats... De reikwijdte en de impact van die initiatieven werden alsmaar groter en wat eerst een klasgebeuren was, is een schoolgebeuren geworden. Nu trekt men voor het eerst buiten de school de stad in.

    Doelstelling

    Het project streeft vijf doelstellingen na:
    leerlingen op een alternatieve en aangename manier kennis laten maken met poëzie;
    de persoonlijke beleving van poëzie bij leerlingen stimuleren;
    poëzie toegankelijker maken voor leerlingen die daar niet zomaar voor open staan;
    leerlingen de verantwoordelijkheid geven voor de realisatie van een project;
    leerlingen leren organiseren en samenwerken.

    Doelgroep

    Tweede en derde graad algemeen secundair onderwijs (aso).

    Opzet

    Zesdejaars stippelen twee stadsroutes uit. Op beide routes selecteren zij negen locaties. Elke locatie wordt toegewezen aan een klein groepje leerlingen. Zij brengen er op een originele en aansprekende manier poëzie die past bij de gekozen locatie. De leerlingen gebruiken daarvoor uiteenlopende media. Op de Gedichtendag volgen de leraren en leerlingen van andere leerjaren de routes. Op de locaties wonen ze de presentaties bij. Ook toevallige passanten worden daartoe uitgenodigd. Doordat de verantwoordelijkheid voor de uitwerking van het project bij de zesdejaars ligt, leren deze leerlingen instaan voor alle logistieke en organisatorische aspecten van het evenement.

    Uitvoering

    Fase 1: Twee leerkrachten Nederlands starten in januari (begin tweede semester) met de voorbereiding. De leerlingen van het zesde jaar worden aangesproken om het evenement praktisch en inhoudelijk uit te werken. Zij kiezen of maken teksten/gedichten, die ze op Gedichtendag op verschillende, in overleg met de leraressen te kiezen plaatsen, zullen presenteren. De gedichten halen de leerlingen uit allerlei bundels die de leerkrachten ter beschikking stellen of die zij opzoeken in de bibliotheek. Op die manier komen de leerlingen in contact met allerlei gedichten en stijlen. Deze zoektocht gebeurt gedeeltelijk in en gedeeltelijk buiten de klas. In de klas zijn ze daar een zestal lesuren mee bezig. Zodra ze gedichten/teksten hebben verzameld, werken de leerlingen een manier uit om de vorm en inhoud van het gedicht op een eigen manier weer te geven. Analyse wordt verbonden met leeservaring.
    Fase 2: De zesdejaars stippelen twee routes uit in de stadskern. Op elk van deze routes punten zij negen locaties af. Elke locatie wordt toegewezen aan een klein groepje leerlingen, die er op een originele en aansprekende manier poëzie naar voor brengen die past bij de gekozen locatie. Ze gebruiken hiervoor uiteenlopende media: video, klankband, maquettes, live muziek, dans, voordracht, toneel, geborduurde teksten, marktkraam, affiches, flyers ... Op die manier wordt heel wat taalvaardigheid op een normaal-functionele manier ingeoefend. Verantwoordelijkheidszin en leren samenwerken krijgen die dag eveneens veel aandacht.
    Fase 3: Op Gedichtendag volgen leerkrachten en leerlingen van andere leerjaren de routes en wonen op elke locatie de presentaties bij. Ook toevallige passanten worden daartoe uitgenodigd. Enkele voorbeelden: klavecimbelmuziek en proza van Toon Tellegen in de Walburgstraat, dans en poëzievoordrachten in de Stadsschouwburg, een poëtische zoekopdracht in het park (aansluitend op een huwelijksceremonie), en voorts mantra's, klankschalen, wereldpoëzie enz. De leerlingen van de eerste graad krijgen op dat moment poëzie op school. De zesdejaars zijn verantwoordelijk voor de inhoud, maar ook voor de organisatie van de dag.

    Middelen

    Materiaal
    De leerlingen maken zelf videobeelden, zingen rapteksten, ontwerpen een poëtisch Rad der Fortuin, maken maquettes enz.

    Tijd
    Het project wordt uitgevoerd tijdens de lesuren, ook op Gedichtendag. In de klas wordt gedurende zes lesuren aan het project gewerkt. Thuis werkten de leerlingen er ongeveer twaalf uur aan verder.

    Menskracht
    Aan het project doen alles samen dertig klassen (derde tot zesde jaar) mee, wat neerkomt op 600 leerlingen en 32 leerkrachten. Twee leerkrachten coördineren het project dat de zesdejaars organiseren.

    Financiën
    Er zijn geen noemenswaardige extra kosten.

    Planning
    Het project start begin januari en kent zijn hoogtepunt op Gedichtendag, traditioneel de vierde donderdag van januari. De voorbereiding gebeurt in de les (zes lesuren) en thuis.

    Resultaten

    Zowel de organiserende zesdejaars als de leerlingen en leerkrachten die de routes lopen, maken een schriftelijke evaluatie. Daaruit komt de algemene conclusie dat leerlingen een veel positievere kijk ontwikkelen op poëzie, meer oog hebben voor alle aspecten van het genre en er beter van kunnen genieten. Het project van de stadsroutes is een succes en wordt volgend jaar hernomen. Andere vaststellingen:
    De verantwoordelijkheid die de zesdejaars krijgen om het gebeuren te organiseren, geeft ze een positievere houding tegenover de school en al wie erin mee draait.
    De school toont zich ook buiten de muren van het gebouw en neemt de stad in. Er ontstaat op die manier een boeiende wisselwerking tussen plaatsen en mensen in de stad aan de ene kant en gedichten en jongeren aan de andere kant. Zo werden de leerlingen in het Vrouwencentrum van Sint-Niklaas hartelijk ontvangen en ontstond er een gesprek tussen mensen die elkaar waarschijnlijk anders niet zouden ontmoeten. Leerlingen kregen ook veel respect voor de mensen in een gebouw amper enkele honderden meters van de school. Iedereen wil dit contact verder uitwerken en stimuleren.
    De meeste leraren zijn in de loop van de jaren positiever tegen het poëzieproject gaan aankijken.
    Het oudercomité reageert enthousiast.
    De dag zelf blijft ook hangen bij de leerlingen van de klassen die zijn gaan kijken. De vijfdejaars weten al dat het straks hun beurt is om Gedichtendag vorm te geven. De zesdes zijn trots op wat ze die dag bereikt hebben, het is goed voor hun zelfbeeld.

    Transfermogelijkheden

    Het hele project is zonder al te veel moeite overzetbaar naar andere scholen. Het vraagt organisatorisch wel wat, maar de technieken om de hele school in de stad gedichten tot leven te laten brengen, kunnen overal worden gebruikt. Het project vraagt maar een beperkt aantal lesuren en een beperkte tijd van de leerlingen buiten de les. Voor slechts twee begeleidende leraars is het wel een stevig geheel om rond te krijgen.

    Contactpersoon

    Lucile Hemelaer
    +32 477 61 61 37
    Lucile.hemelaer@skynet.be

    Woordverklaring

    Een verklarende woordenlijst van Nederlandse en Vlaamse onderwijs termen vind je op http://taalunieversum.org/onderwijs/termen


    PROJECTBESCHRIJVING 'DIGITAAL VERTELLEN'
    Project van Stichting Teleac NOT, uitgevoerd in twintig scholen

    Voor sommige leerlingen zijn taaltaken wel een bijzonder hoge berg om tegenaan te kijken. Tenzij ze die berg zelf vorm mogen geven. Met Digitaal Vertellen kunnen ze dat. Digitaal Vertellen is een multimediaal project van Schooltv waar leerlingen van de meest uiteenlopende onderwijsniveaus mee aan de slag kunnen. Leerlingen vertalen een verhaal in beeld en geluid en leren op die manier basisprincipes uit de camerawereld. Tijdens de lessen Nederlands leren ze een scenario, script en storyboard maken. In de daaropvolgende workshop maken ze filmpje.

    De organisatie

    Schooltv maakt televisieprogramma's en begeleidend materiaal voor peuters, leerlingen in het primair onderwijs en middelbare scholieren. 92 procent van alle scholen voor primair onderwijs en de helft van de scholen voor voortgezet onderwijs maakt ervan gebruik. Het world wide web (www.schooltv.nl, www.eigenwijzer.nl) speelt daarbij een belangrijke rol.
    Bij alle televisieprogramma's die Schooltv uitzendt, is lesmateriaal beschikbaar. Afhankelijk van het project is dat een handleiding voor docenten en leerlingenmateriaal, cd, cd-rom en/of de websites.
    Teleac/NOT laat scholieren in de onderbouw van het voortgezet onderwijs zelf digitale clips produceren. Deze clips worden uitgezonden op televisie en gepubliceerd op de website van het project. Bij de opzet van het project en de productie van de clips krijgt TeleacNOT steun van het Nederlands Instituut voor Filmeducatie, de Hogeschool Utrecht, de Educatieve Hogeschool van Amsterdam en Waag Society. Het project startte in het najaar van 2003 met workshops op middelbare scholen. Tijdens de workshops maken de leerlingen clips, die kort daarna op de website verschijnen.

    Beschrijving van het project

    Aanleiding

    In Engeland en Amerika maakt men al enkele jaren gebruik van Digital Storytelling. Dat is een concept waarbij mensen op een nieuwe en directe manier hun eigen verhaal vertellen. Niet alleen tekst, maar ook beelden en muziek worden gebruikt om een filmpje te maken dat vooral een persoonlijk document van de maker is. Die heeft in de meeste gevallen weinig of geen ervaring met multimediale technieken, maar tijdens workshops leert hij die technieken op een persoonlijke manier gebruiken. Het Nederlandse project is op maat gesneden van het onderwijs: kinderen vertellen een persoonlijk verhaal en maken daarvan in de klas een digitale videoclip.

    Doelstelling

    Het project wil drie doelstellingen realiseren:
    Kijk- en luistervaardigheid: aan de hand van clips die hun leeftijdgenoten maken, oefenen de leerlingen hun kijken en luisteren. Zij benoemen wat ze zien, beoordelen dat en onderbouwen hun mening.
    Schrijfvaardigheid: de leerlingen schrijven een eigen, persoonlijk verhaal en maken daarvan een scenario. Vervolgens maken ze een script op en dan een storyboard. Ten slotte draaien ze zelf een film.
    Media-educatie: de leerlingen raken vertrouwd met verschillende media.

    Doelgroep

    Digitaal Vertellen is bedoeld voor de eerste vier leerjaren van het vmbo. Vooral leerlingen die opkijken tegen taaltaken hebben veel baat bij het project. Voor scholen die de basisvorming in de richting van scenario 3 of 4 uitwerken, geeft dit project de mogelijkheid om verschillende vakken te integreren en taalgericht vakonderwijs te geven. In principe kunnen kinderen elk op hun eigen niveau aan filmpjes werken.

    Opzet

    Digitaal Vertellen sluit eigenlijk vooral aan bij mediaonderwijs. De relatie met het vak Nederlands ligt in de fictieleerlijn en in de mondelinge vaardigheden binnen het programma Nederlands. Leren werken met perspectief, spanning opbouwen e.d. zijn elementen die leerlingen in literatuur leren ontdekken en bij schrijven zelf leren toepassen. Binnen dit project hanteren ze die begrippen bij het beeldend vertellen. Leerlingen vertalen een verhaal in beeld en geluid en komen op die manier in aanraking met de basisprincipes uit de camerawereld. Tijdens de reguliere lessen Nederlands leren de leerlingen een scenario, script en storyboard maken. In de daaropvolgende workshop leren ze een filmpje maken. De producten worden in vier stappen beoordeeld: door het groepje zelf, door de klas, door de docent en tenslotte in een plenaire presentatie door het publiek van ouders.

    Uitvoering

    Het project wordt in drie fasen uitgevoerd:
    Fase 1: Het eerste deel van circa tien lessen is de cursorische lijn, gericht op het leren schrijven van een verhaal met alle daaraan verbonden kenmerken, zoals spanning, tijd, ruimte, karakter. Leerlingen verwerven de woordenschat die gebruikelijk is bij het maken van films. Ze overleggen, spreken hun creatieve vermogens aan, maken afspraken en leggen die vast. De leerlingen presenteren hun verhalen aan de rest van de klas, die op het werk van elke productiegroep feedback geeft. Het schrijven van een eigen verhaal, het indikken tot scènes en het uiteindelijk verdichten tot kreten in een storyboard zijn zaken waarmee de vmbo-leerling normaliter veel problemen heeft.
    Fase 2: De volgende tien lessen leren de leerlingen foto's invoeren in een computerprogramma. Ze leren voice-overs opnemen, effecten toepassen e.d.
    Fase3: Ten slotte worden de clips die de leerlingen hebben gemaakt in vier stappen geëvalueerd: door het groepje leerlingen zelf, door de klas, door de docent en ten slotte in een plenaire presentatie door de ouders.

    Middelen

    Materiaal
    De school zelf moet voldoende (krachtige) computers in huis hebben. Groepjes van twee tot vier leerlingen moeten elk een goede werkplek hebben waar ze samen naar het scherm kunnen kijken. TeleacNOT werkt aan oplossingen voor scholen die niet met eigen hardware kunnen werken.
    Voor elke fase in het project werd een handleiding ontwikkeld. Een technische handleiding voor leerlingen is in pdf-formaat beschikbaar via www.eigenwijzer.nl/vertellen

    Tijd
    De volledige uitvoering van het project vergt ruim een week. Voor de laatste fase - het monteren van de filmpjes - moet men rekenen op twee volle dagen werk. De school moet daarbij bereid zijn het lesrooster te doorbreken en lessen te laten vallen. Digitaal Vertellen is ideaal voor een projectweek. Een school die niet aan een stuk door kan werken, moet rekening houden met een tijdsbesteding van ruim twintig lesuren. Schooltv beveelt scholen aan het project niet over al te veel weken uit te smeren.

    Menskracht
    De inzet van personeel hangt af van het scenario dat de school kiest om het project uit te voeren. Op dit moment werkt TeleacNOT met projectmedewerkers die in scholen workshops geven of leerkrachten ondersteuning geven.

    Financiën
    De ondersteuning die Teleac aan de school biedt, wordt vooralsnog gefinancierd met eigen middelen. TeleacNOT werkt wel aan een structurele oplossing voor de bemanning en facilitering van Digitaal Vertellen.

    Planning
    Het project beslaat twee fasen van elk ongeveer tien lessen en een evaluatiemoment. Er kan op gelijk welk moment in het schooljaar mee gestart worden.

    Resultaten

    Het produceren van clips werkt goed bij leerlingen in heel uiteenlopende settings (van een school voor voortgezet speciaal onderwijs tot een gymnasium), maar het project blijkt vooral goed te werken bij leerlingen die talige opdrachten normaliter lastig vinden.
    Leerlingen werken met plezier en inzet aan het project en zijn erg enthousiast over de onorthodoxe werkwijze. Door hun eigen inbreng in hun eigen product ervaren ze het project als relevant: van consument worden ze nu zelf producent. De zichtbare resultaten zijn de clips, van elke school wordt een selectie op de website geplaatst.

    Contactpersoon

    Frank Van Dixhoorn
    Schooltv, Stichting Teleac NOT
    +31 35 629 37 72
    frankd@teleacnot.nl

    Bronnen

    twee handleidingen van TeleacNOT: Digitaal Vertellen, handleiding Nederlands, deel 1 en 2
    de website van het project www.eigenwijzer.nl/vertellen

    Woordverklaring

    Een verklarende woordenlijst van Nederlandse en Vlaamse onderwijs termen vind je op http://taalunieversum.org/onderwijs/termen

    Nieuwsarchief


    2017: 10 | 9 | 8 | 7 | 6 | 5 | 4 | 3 | 2 | 1
    2016: 12 | 11 | 10 | 9 | 8 | 7 | 6 | 5 | 4 | 3 | 2 | 1
    2015: 12 | 11 | 10 | 9 | 8 | 7 | 6 | 5 | 4 | 3 | 2 | 1
    2014: 12 | 11 | 10 | 9 | 8 | 7 | 6 | 5 | 4 | 3 | 2 | 1
    2013: 12 | 11 | 10 | 9 | 8 | 7 | 6 | 5 | 4 | 3 | 2 | 1
    2012: 12 | 11 | 10 | 9 | 8 | 7 | 6 | 5 | 4 | 3 | 2 | 1
    2011: 12 | 11 | 10 | 9 | 8 | 7 | 6 | 5 | 4 | 3 | 2 | 1
    2010: 12 | 11 | 10 | 9 | 8 | 7 | 6 | 5 | 4 | 3 | 2 | 1
    2009: 12 | 11 | 10 | 9 | 8 | 7 | 6 | 5 | 4 | 3 | 2 | 1
    2008: 12 | 11 | 10 | 9 | 8 | 7 | 6 | 5 | 4 | 3 | 2 | 1
    2007: 12 | 11 | 10 | 9 | 8 | 7 | 6 | 5 | 4 | 3 | 2 | 1
    2006: 12 | 11 | 10 | 9 | 8 | 7 | 6 | 5 | 4 | 3 | 2 | 1
    2005: 12 | 11 | 10 | 9 | 8 | 7 | 6 | 5 | 4 | 3 | 2 | 1
    2004: 12 | 11 | 10 | 9 | 8 | 7 | 6 | 5 | 4 | 3 | 2 | 1
    2003: 12 | 11 | 10 | 9 | 8 | 7 | 6 | 5 | 4 | 3 | 2 | 1
    2002: 12 | 11 | 10 | 9 | 8 | 7 | 6 | 5 | 4 | 3 | 2 | 1
    2001: 12 | 11 | 10 | 9 | 8 | 6 | 5 | 4 | 3
    2000: 10 | 7 | 6 | 5 | 4 | 3 | 2 | 1
    0: 0