Den Haag, 17 mei 2006
PERSBERICHT
WINNAARS TAALUNIE ONDERWIJSPRIJS
De winnaars van de Taalunie Onderwijsprijs 2006 zijn bekend. De prijs voor het basisonderwijs gaat naar Montessorischool de Regenboog uit Amsterdam zuidoost (NL). Voor het voortgezet/secundair onderwijs gaat de prijs naar het Provinciaal Technisch Instituut uit Eeklo (B). De prijzen van 8000 euro zijn op 17 mei uitgereikt door de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming Frank Vandenbroucke, in het Vlaams Parlement te Brussel.
De winnaars
'De verteltas' van Montessorischool de Regenboog
uit Amsterdam Zuidoost (NL) stimuleert het lees- en
voorleesplezier bij jonge kinderen met prachtige tassen vol
verhalen en spelmateriaal en verhoogt de betrokkenheid van
(allochtone) ouders bij het onderwijs.
Het Provinciaal Technisch Instituut uit Eeklo (B)
heeft gewonnen met twee projecten: 'Veroordeeld tot
gedichten', een uitdagend poëzieproject dat aansluit
bij de belevingswereld van jongeren uit het technisch onderwijs
en 'Een stap in het onbekende', een taakgericht
taalvaardigheidstraject waarbij de leerling zelf instructeur
wordt.
Het juryverslag en de uitgebreide projectbeschrijvingen in woord én beeld zijn te vinden op www.taalunieversum.org/onderwijs/onderwijsprijs. Ze worden tevens hieronder in de bijlagen afgedrukt.
De Taalunie onderwijsprijs
Met de Taalunie Onderwijsprijs brengt de Taalunie
interessante initiatieven op het gebied van het onderwijs
Nederlands in Vlaanderen en Nederland bij een breed publiek
onder de aandacht. De Taalunie wil met deze voorbeelden andere
scholen ertoe aanzetten om hun eigen onderwijs te vernieuwen. De
prijs wordt tweejaarlijks uitgereikt, aan een project uit het
basisonderwijs én een project uit het
voortgezet/secundair onderwijs.
Nederlandse Taalunie
In de Nederlandse Taalunie voeren de Vlaamse, Nederlandse en
Surinaamse overheid gezamenlijk beleid op het gebied van de
Nederlandse taal, onderwijs en letteren. De Taalunie ziet het
als haar opdracht om ervoor te zorgen dat alle
Nederlandssprekenden hun taal op een doeltreffende en creatieve
manier kunnen gebruiken. Meer informatie over de Nederlandse
Taalunie is te vinden op www.taalunieversum.org.
---
Bijlagen, hieronder afgedrukt:
JURYRAPPORT TAALUNIE ONDERWIJSPRIJS 2006
1. Taalunie Onderwijsprijs
Op initiatief van het Platform Onderwijs Nederlands (PON) stelde de Nederlandse Taalunie een jaarlijkse prijs in voor projecten of scholen die zich op een innovatieve en doeltreffende wijze onderscheiden op het gebied van onderwijs in en van de Nederlandse taal. In 2000 werd de prijs een eerste maal uitgereikt aan een project voor het basisonderwijs, De Babbeldoos. In 2001 werd de prijs uitgereikt aan een project voor het voortgezet/secundair onderwijs, Luisteren en spreken. De Taalunie Onderwijsprijs heeft in 2003 een hervorming ondergaan en wordt sindsdien tweejaarlijks uitgereikt aan een project voor het basisonderwijs én aan een project voor het voortgezet/secundair onderwijs. In 2004 waren dat Het verhalenatelier voor het basisonderwijs en Bazar Zeeland voor het voortgezet/secundair onderwijs.
De belangrijkste doelstelling die de Taalunie nastreeft met
de Onderwijsprijs is het geven van een stimulans aan scholen om
op een innovatieve en doeltreffende manier om te gaan met
onderwijs in en van het Nederlands.
Het geven van deze stimulans ziet zich vertaald in drie
zaken:
De doelgroep voor de prijs bestaat uit scholen voor basis- en voortgezet/secundair onderwijs in Nederland en Vlaanderen. Een school kan alléén insturen, maar projecten die breder dan een school lopen kunnen ook meedingen.
Projecten of scholen die in aanmerking willen komen om door de jury beoordeeld te worden, moeten in ieder geval aan de volgende voorwaarden voldoen:
Verder let de jury op innovativiteit, doeltreffendheid en integratie in het reguliere onderwijs Nederlands.
2. Taalunie Onderwijsprijs 2006
De prijs voor het jaar 2006 gaat naar twee projecten: een project voor het basisonderwijs en een project voor het voortgezet/secundair onderwijs.
2.1 Basisonderwijs
Er werden tien projecten ingezonden waarvan er negen
doorgingen naar de tweede ronde, vier uit Vlaanderen en vijf uit
Nederland. Vier projecten werden ingediend door een school, vijf
door een groep van met elkaar samenwerkende scholen. Drie
projecten waren afkomstig uit het speciaal of buitengewoon
onderwijs, zes uit het reguliere basisonderwijs. Deze projecten
werden bezocht door een prospector die een uitgebreid dossier
samenstelde op basis waarvan de jury zich een oordeel kon vormen
over de verschillende projecten. Elk dossier heeft de jury
beoordeeld op basis van de hierboven genoemde criteria.
De jury neemt de vrijheid om tegen de achtergrond van
bovenstaande criteria over de ingediende projecten enkele
opmerkingen van algemene aard te maken.
In de eerste plaats merkt de jury op dat het innovatieve
karakter van nagenoeg alle projecten vooral gelegen is in het
verbeteren van de bestaande onderwijspraktijk. Zo gaat het onder
meer om het verbeteren van de resultaten bij het onderwijs in
technisch lezen, om het nog sterker en systematischer stimuleren
van de leesbeleving, om het beter op elkaar afstemmen van
individualiserend onderwijs (Montessori) en het geven van
instructie bij begrijpend lezen, en om het versterken van de
samenwerking tussen school en ouders. Dit verwondert de jury
niet. Projecten uit het basisonderwijs hebben vaak een sterk
praktijkgericht karakter.
In de tweede plaats valt het de jury op dat relatief veel
projecten, namelijk zeven de negen, betrekking hebben op het
onderwijs in lezen (inclusief woordenschatontwikkeling). In een
aantal projecten wordt geprobeerd de resultaten van het
onderwijs in lezen met het accent op techniek te verbeteren. Bij
andere projecten gaat het om het verbeteren van de leesbeleving
door een reeks van losse activiteiten op elkaar af te stemmen of
door het verwoorden van leeservaringen in een logboek. In een
project is het streven erop gericht de ontwikkeling van de
woordenschat een impuls te geven door het combineren van woorden
en beelden. Bij dit alles is het interessant om te constateren
dat voor het oplossen van hetzelfde probleem verschillende wegen
worden ingeslagen. Zo probeert men op een groep van scholen voor
speciaal (bijzonder) basisonderwijs de resultaten bij technisch
lezen te verbeteren via het toepassen van een gedetailleerde,
nauwkeurig voorgeschreven strategie. Op een andere school van
hetzelfde type probeert men hetzelfde te doen via een reeks van
losse activiteiten die een sterk beroep doen op de zelfstandige
verwerking door de leerlingen.
In de derde plaats merkt de jury op dat zeven van de negen
projecten afkomstig zijn van scholen met relatief veel
leerlingen die van huis uit een andere moedertaal spreken dan de
Nederlandse en leerlingen met een vertraagde dan wel moeizaam
verlopende taalontwikkeling. Ook dit gegeven verwondert de jury
niet. Zij vindt het begrijpelijk dat juist bij het onderwijs aan
leerlingen bij wie de taalontwikkeling niet gemakkelijk of
vanzelfsprekend verloopt, de beperkingen van gebruikelijke
routines en in gebruik zijnde onderwijsleermaterialen zich het
eerst doen voelen.
In de vierde en laatste plaats valt het de jury op dat van
slechts twee projecten gegevens over de resultaten beschikbaar
zijn. Vaststellen van wat is bereikt, is kennelijk lastig
gebleken. Wellicht hangt dit opnieuw samen met het feit dat het
voornamelijk gaat om projecten die in de praktijk van alledag
zijn ontstaan.
De jury hecht er aan met nadruk op te merken dat zij met veel
waardering de projecten heeft bezien. Alle projecten getuigen
van een geweldige inzet voor de taalontwikkeling van de
leerlingen. Meer in het bijzonder getuigen ze van een intense
betrokkenheid bij de belangen van vooral die leerlingen die voor
hun taalontwikkeling in overwegende mate afhankelijk zijn van de
inspanningen van de school. De projecten komen voort uit een
hartverwarmend engagement voor de leerlingen die de betreffende
scholen aan zich toevertrouwd weten.
Uit het voorafgaande blijkt reeds dat het voor de jury niet
eenvoudig was de eerder omschreven criteria in alle gevallen
precies en op dezelfde manier toe te passen. Het was onmogelijk
om, in een volgorde van voorkeur, diverse projecten te nomineren
voor de Onderwijsprijs 2006. De kwaliteit van een aantal
projecten verschilt weinig. Het ene project nomineren zou, naar
de mening van de jury, inhouden dat het andere te kort wordt
gedaan. Daarom heeft de jury besloten slechts één
project te nomineren. Dit betekent dat de Taalunie
Onderwijsprijs voor het basisonderwijs gaat naar:
De Verteltas van Montessorischool de Regenboog te Amsterdam
In dit project maken ouders en leerkrachten aantrekkelijk
vormgegeven stoffen tassen die een prentenboek bevatten om
(interactief) uit voor te lezen en diverse spel- en
leermaterialen die het thema van het prentenboek tastbaar maken.
Elke verteltas biedt bovendien een cd met het verhaal, als
ondersteuning voor ouders met een beperkte taalvaardigheid in
het Nederlands. De leerkrachten en leidsters gebruiken de
verteltassen op verschillende niveaus en in verschillende
situaties en de kinderen mogen de tas ook meenemen om er thuis
met hun ouders aan te werken.
Door het werken met de verteltassen wordt de leesomgeving en
de taalontwikkeling van de kinderen en de ouders versterkt en
samenwerking gerealiseerd tussen thuis, school en
peuterspeelzaal.
Dit is niet het eerste project met als doel het stimuleren
van de taalontwikkeling van (onder meer anderstalige) kinderen
en hun ouders. Het is evenmin het eerste project waarbij
allochtone ouders van in het beginstadium betrokken worden. Wat
de jury echter enorm charmeerde, was de warmte en het
enthousiasme die dit project uitstraalt en de aantrekkelijke
vorm die men koos: de verteltas.
Die vorm brengt met zich mee dat zowel de (anderstalige)
ouders als de kinderen via de inhoud van de tas kennismaken met
tot dusver onbekende verhalen en boeken. In een speelse
benadering is het kind niet afhankelijk van de Nederlandse
taalvaardigheid van de ouders. Het verhaal kan immers ook
beluisterd worden op een bijgeleverde cd.
De tassen zijn erg populair. Het grootste deel is voortdurend
uitgeleend. Bovendien zijn ze inmiddels volledig opgenomen in de
gang van zaken op school, waar ze ook gebruikt worden: door
leraren, door ouders in het zogeheten Vertelhuisje, door oudere
leerlingen die voorlezen aan de jongste kinderen. Ook in
organisatorisch opzicht is het project in de schoolpraktijk
verankerd: een commissie van ouders beheert en verzorgt de
inmiddels omvangrijke collectie tassen (circa 80). De jury
roemde de gevarieerde selectie van de tassen, het ruime en
kwalitatief hoogstaande aanbod.
Naar de stellige indruk van de school gaat van het gebruik van
de verteltassen een stimulerende en verrijkende werking uit op
de taalontwikkeling van de leerlingen (en hun ouders). In welke
mate dat het geval is, moet echter nog worden vastgesteld.
Ten slotte heeft de jury overwogen dat het project op
relatief eenvoudige wijze ook op andere scholen kan worden
uitgevoerd, mede dankzij het ontwikkelde Handboek
Verteltassen en een trainingsboek voor lerarenopleiders en
schoolbegeleiders.
2.2 Voortgezet/secundair onderwijs
Er werden zeven projecten ingezonden voor het
voortgezet/secundair onderwijs. Zes projecten gingen door naar
de tweede ronde, vijf uit Vlaanderen en een uit Nederland. Deze
projecten werden bezocht door een prospector die een uitgebreid
dossier samenstelde op basis waarvan de jury zich een oordeel
kon vormen over de verschillende projecten. De prospectoren
bezochten scholen en betrokken instellingen die zich op
enthousiaste wijze inzetten voor het onderwijs in en van het
Nederlands. De gedrevenheid van sommige leerkrachten die in hun
eentje of met beperkte middelen erin slaagden om hun leerlingen
enthousiast te maken voor het vak Nederlands was opvallend en
lovenswaardig.
Drie projecten werden genomineerd voor de Taalunie
Onderwijsprijs 2006.
Gedichtenroutes door de stad van Berkenboom Humaniora uit Sint-Niklaas
Creatief omgaan met poëzie: daarvoor trekt het Instituut Berkenboom in Sint-Niklaas op de Gedichtendag alle registers open. De zesdejaars werken een compleet en gevarieerd poëzieproject uit, zoeken hiervoor locaties in de stad en nodigen de rest van de school uit om met hun creaties kennis te maken langs twee poëzieroutes. Niet alleen oefenen de leerlingen hun taalvaardigheid, ze krijgen een groter hart voor poëzie en leren tegelijk organiseren en hun verantwoordelijkheid nemen.
De jury vond het interessant de groei van dit project te
observeren. De prospector die de school bezocht, verwoordde het
als volgt: "Wat eerst een klasgebeuren was, werd een
schoolgebeuren en nu gaat men buiten de school de stad in." Deze
brede schoolwerking en de aandacht voor de verschillende
culturen van de leerlingen trok de aandacht van de jury.
Alle leerlingen van Berkenboom worden bij de Gedichtendag
betrokken en de hele school wordt omgetoverd tot een
poëziepaleis. De voornaamste spelers zijn echter de
laatstejaars. Zij organiseren de Gedichtendag zelfstandig. Hun
leerkrachten vervullen enkel een coachende rol. De leerlingen
kunnen een creatieve rol op zich nemen (het voordragen van
gedichten, het uitwerken van een creatief concept voor een
bepaalde locatie in de stad, het versieren van de school) of een
organisatorische functie (het uitstippelen van diverse routes en
andere logistieke taken). Hoe gemotiveerd de laatstejaars raken
binnen dit project blijkt ook duidelijk uit het feit dat ze veel
vrije tijd investeren in het opzetten en uitwerken van hun
ideeën.
De zelfstandigheid van de leerlingen, de verschillende
werkvormen (muziek, theater, voordracht), de voorrang van het
proces op het product en het accent op het eigen talent konden
op veel waardering van de jury rekenen. De voorstellingen op
Gedichtendag en de zorgvuldig uitgewerkte routes zijn resultaten
waar de leerlingen terecht trots op zijn. Door dit project
hebben zij niet alleen poëzie leren waarderen, maar vaak
ook een stuk zelfbewustzijn en zelfstandigheid gewonnen. De
positieve feedback die ze krijgen van leerkrachten en
medeleerlingen uit de hele school op de producten of
voorstellingen die zij eigenhandig gecreëerd hebben, zorgt
voor een belangrijke impuls in hun eigenwaarde. Zowel bij de
jongeren uit het algemeen secundair onderwijs als bij deze uit
de technische richting van Berkenboom.
De jury wil Berkenboom We onthouden tips meegeven voor een
verdere verdieping en optimalisering van het project
'Gedichtenroutes door de stad':
Digitaal vertellen
Voor sommige leerlingen zijn taaltaken wel een bijzonder hoge berg om tegenaan te kijken. Tot ze die berg zelf vorm mogen geven. Digitaal vertellen is een multimediaal project van Schooltv waar leerlingen van de meest uiteenlopende onderwijsniveaus mee aan de slag kunnen. Leerlingen vertalen een verhaal in beeld en geluid en leren op die manier basisprincipes uit de camerawereld. Tijdens de lessen Nederlands leren ze een scenario, script en storyboard maken. In de daaropvolgende workshop maken ze een filmpje.
De grote kracht van het project 'Digitaal vertellen' is het
functionele kader dat het biedt waarin leerlingen op een
zinvolle, plezierige, creatieve manier bezig zijn met het
schrijven en bewerken van verhalen. De taakgerichte aanpak en
het aantrekkelijke eindresultaat motiveert de jongeren. Het
project stimuleert gesprekken in de klas. De jury was onder de
indruk van de doordachte didactiek die hierachter schuilt
waarbinnen reflectie en peer-evaluatie een belangrijke plaats
innemen.
Bovendien sluit het project perfect aan bij de leefwereld
van de jongeren, die dag in dag uit geconfronteerd worden met en
leven in een beeldcultuur. Doordat de eindproducten van de
jongeren, de afgewerkte clips, vertoond worden op Teleac, krijg
je een proces waarin leerlingen schooltv maken voor andere
leerlingen. Een mooi gegeven. De jury prijst verder de
vakoverschrijdende opzet en het innovatieve karakter van het
project. Voor het vak Nederlands en het curriculum vormt
'Digitaal vertellen' een nieuwe aanpak.
De jury stelt zich echter wel vragen bij de
overdraagbaarheid en mogelijke verdere verspreiding van Digitaal
vertellen. Teleac en de clipcoach die zij uitzenden, vormen
immers een onmisbare schakel. Het zou lovenswaardig zijn om uit
te zoeken of er aan dit project geen "train de trainer"-traject
gekoppeld kan worden waarin de leerkrachten Nederlands of
culturele vorming opgeleid worden om zelf de taken van de
clipcoach over te nemen in de toekomst. Een tweede mogelijke
verdiepingsstap zou ook zijn om er nog een aspect van reflectie
op massamedia en informatiestromen aan te verbinden. Jongeren
worden geconfronteerd met de huidige beeldcultuur zonder wapens
om er kritisch mee te leren omgaan. Deze leegte zou gekoppeld
aan een project als 'Digitaal vertellen' opgevuld kunnen
worden.
Twee projecten van het Provinciaal Technisch Instituut uit Eeklo
Het Provinciaal Technisch Instituut (PTI) uit Eeklo verdient de hoogste lof en los van beide projecten wil de jury de school een pluim geven voor de manier waarop zij omgaat met taal en in het bijzonder met taal gekoppeld aan de praktijkvakken. Uit beide projecten blijkt dat het Nederlands op het PTI de plek krijgt dat het verdient en dit alles gericht op een doelgroep waarvoor taalonderwijs niet vanzelfsprekend is.
Veroordeeld tot gedichten
'Poëzie is iets voor meisjes'. Dat vooroordeel leeft sterk bij jongens uit het technisch en beroepsonderwijs. Met traditionele lesmethodes slaagt de leraar Nederlands er niet in daar verandering in te brengen. Daarom kiest het PTI Eeklo voor een meer projectmatige aanpak. Vier jaar lang, van het derde tot het zesde jaar, zijn leerlingen taakgericht en creatief met poëzie bezig. Hun persoonlijke belevenissen en hun leefwereld staan daarbij centraal. Naast literatuuronderwijs krijgen ook taalvaardigheid en sociale vaardigheden een belangrijke plaats. Het resultaat is zoveel als een omwenteling.
De jury was erg onder de indruk van dit poëzieproject
waarin een moeilijke doelgroep op een hoogstaand niveau
poëzie leert te waarderen en te analyseren. De valkuil van
het traditionele poëzieonderwijs dat uitsluitend uit
analyse bestaat, wordt hier vakkundig vermeden. Het
poëzieonderwijs wordt gekoppeld aan een productieproces dat
de creativiteit van de jongeren aanspreekt, maar waarin analyse
evenmin ontbreekt. De jongeren luisteren naar elkaar en
beoordelen elkaars werkstukken en gedichtenkeuze
(peer-evaluatie). De jury noemde het project een verademing en
gebruikte woorden als: verrassend, innovatief en getuigend van
veel durf gezien de doelgroep. Als positieve elementen roemde de
jury ook nog de doorlopende leerlijn (het project loopt over
drie jaren en leerlingen groeien erin mee), de integratie in het
reguliere onderwijs Nederlands en de eenvoudige
transfermogelijkheden naar andere scholen die hiermee aan de
slag zouden willen gaan.
Als aandachtspunten wilde de jury meegeven dat de evaluatie
van het gehele proces en de eindproducten bewaakt moet worden en
dat het project op dit ogenblik gedragen wordt door
één gedreven leerkracht. Verdere inbedding in de
school of een breder draagvlak zouden deze kwetsbare positie
kunnen verstevigen.
Een stap in het onbekende
We onthouden negentig procent van wat we zelf aan iemand uitleggen. Dit pedagogisch paradigma zet het PTI Eeklo heel doelgericht om in de praktijk. De vierdejaars Bouw (beroepsonderwijs) van de school gaan op bezoek bij de leerlingen Drama van een school in Goes en krijgen er een theaterinitiatie met als eindpunt: zelf een voorstelling geven. Op hun beurt krijgen de leerlingen Drama initiatielessen decorbouw van het vierde Bouw. Daarnaast zakken vierdejaars Consumptief vanuit Goes naar Eeklo af om een muur te leren metselen. De Eeklose leerlingen ontwikkelen daarvoor een presentatie en lesmateriaal. Eenvoudige en efficiënte communicatie staat centraal in dit project, dat een schoolvoorbeeld is van taakgericht taalonderwijs.
De jury was vol lof over dit project en roemde het
schoolbrede draagvlak, de samenwerking tussen
praktijkleerkrachten en taalleerkrachten, de eenvoudige
overdraagbaarheid naar andere scholen en de integratie in het
reguliere onderwijs Nederlands. De functionele aanpak waarin
eenvoudige leersituaties gecreëerd worden en de nodige
taalvaardigheden in een natuurlijke context aan bod komen,
verdient volgens de jury navolging. De leerlingen uit de
doelgroep zijn vaak moeilijk te motiveren en hebben echt baat
bij dit project waarmee de kloof tussen theorie- en
praktijklessen gedicht wordt en zijzelf het nut van taal en
communicatie inzien. De uitwisseling tussen Nederland en
Vlaanderen biedt nog een extra dimensie. Het vergroot de horizon
van de leerlingen en brengt hen in contact met een tikje andere
cultuur en een tikje ander taalgebruik van het buurland.
De prospector die de school bezocht vond "de resultaten
indrukwekkend in al hun eenvoud" en daar was de jury het
volmondig mee eens. Met eenvoudige middelen worden prachtige
leerresultaten geboekt. Een gouden greep, noemde de jury het
project.
De jury heeft dan ook besloten om het Provinciaal Technisch Instituut met beide projecten, 'Veroordeeld tot een gedicht' en 'Een stap in het onbekende', uit te roepen tot winnaar van de Taalunie Onderwijsprijs 2006 voor het voortgezet/secundair onderwijs.
PROJECTBESCHRIJVING 'DE VERTELTAS'
1e katholieke
Montessorischool De Regenboog te Amsterdam
Hoe leer je kinderen beter lezen en geef je ze meer
leesplezier? In de 1e katholieke Montessorischool 'De Regenboog'
in Amsterdam maken ouders en leerkrachten Verteltassen. Dat zijn
aantrekkelijk vormgegeven stoffen tassen met daarin een
prentenboek, een luistercd en verscheidene spel- en
leermaterialen. De leerkrachten en leidsters gebruiken de
Verteltassen op verschillende niveaus en in verschillende
situaties. De kinderen mogen de tas ook meenemen om er thuis met
hun ouders aan te werken.
Dankzij de Verteltassen worden de
leesomgeving en de taalontwikkeling van de kinderen en de ouders
versterkt. Taalachterstand bij kinderen wordt vroeger ontdekt,
ouders worden meer bij het onderwijs betrokken en er is een
betere samenwerking tussen thuis, school en
peuterspeelzaal.
School en omgeving
De 1e katholieke Montessorischool De Regenboog in Amsterdam
is een kleurrijke school. Samen met een aantal andere
basisscholen ligt ze in het stadsdeel Zuid-Oost van de
historische havenstad.
In het Montessorionderwijs staat het individuele kind met
zijn individuele onderwijsbehoefte centraal. De kinderen krijgen
veel ruimte om zelf te doen en te ontdekken in de zogenaamde
voorbereide omgeving, die hen uitnodigt om zelfstandig te leren.
Op een Montessorischool kan een kind alleen of samen met anderen
werken. De leeftijden van kinderen binnen de klas verschillen.
Zo kunnen jongere kinderen leren van oudere, meer ervaren
leerlingen.
De Regenboogschool vindt het, zeker in een multiculturele
stad als Amsterdam, heel belangrijk dat kinderen zich goed
kunnen uitdrukken en besteedt daarom specifieke aandacht aan
taalvorming. Bij taalvorming wordt taal gezien als middel
waarmee je kunt uitdrukken wat je waarneemt, meemaakt, voelt en
wilt. Door taal op deze manier voor zichzelf te gebruiken, leren
kinderen steeds beter hun taalvaardigheid te ontwikkelen.
Tegelijk leren ze meer te vertrouwen op de deskundigheid die ze
door persoonlijke ervaringen ontwikkelen. Op deze manier is taal
niet een doel van lessen, maar een communicatiemiddel.
Aanleiding voor het project
Op de Amsterdamse Regenboogschool zitten leerlingen met veel
verschillende culturele en maatschappelijke achtergronden. Veel
van deze kinderen zijn gebaat bij extra stimulering van de
woordenschatontwikkeling en bij extra aandacht voor
geletterdheid. Om de belangstelling van kinderen voor boeken te
wekken en hun woordenschat te vergroten, is de school in 2003
gestart met het Verteltassenproject. Ouders en leerkrachten
ontwikkelen daarbij samen nieuwe Verteltassen en onderhouden de
bestaande.
Verteltassen stimuleren het leesplezier, breiden de
woordenschat uit van ouder en kind en bevorderen de participatie
van ouders bij het onderwijs. Het concept werd ontwikkeld in
Engeland in 1995 door een oud-onderwijzer, die inmiddels
directeur is van het National Storysacks Project. In veel andere
landen zijn vergelijkbare initiatieven tot stand gekomen. Want
het gebruik van Verteltassen blijkt niet alleen effectief en
heel populair bij kinderen, het biedt ook talrijke mogelijkheden
om interactief voor te lezen.
Doelstelling
Het Verteltasproject streeft vier grote doelen na:
de taalontwikkeling van ouders en kinderen stimuleren;
ondersteuning bieden bij het voorlezen;
het lees- en voorleesplezier vergroten;
ouderparticipatie bevorderen.
Doelgroep
Het Verteltasproject is bestemd voor peuters en basisschoolkinderen, met speciale aandacht voor kinderen die Nederlands niet als moedertaal hebben. De tassen worden gebruikt vanaf de peutergroep tot aan de bovenbouw. Leerlingen uit de bovenbouw houden tevens Verteltassessies met kleuters en controleren de Verteltassen. Daarnaast is het project gericht op ouders. De Verteltassen gaan mee naar huis, met de bedoeling dat ouders interactief gaan voorlezen. Ouders zijn ook op school nauw betrokken bij de uitvoering van het project.
Opzet
Ouders en leerkrachten werken samen in een commissie. Ze
ontwikkelen nieuwe Verteltassen en onderhouden de bestaande. De
kern van het werken met de Verteltas is de interactie tussen
kind en volwassene. In de Verteltas is ondersteunend materiaal
aanwezig om de woordenschat te vergroten en om taal,
geletterdheid, rekenvaardigheden en wereldoriëntatie te
bevorderen. De prentenboeken, cd's, spel- en leermaterialen in
de Verteltassen bieden ouders talloze mogelijkheden daartoe. Zo
kunnen de ouders samen met het kind naar het ingesproken verhaal
luisteren, samen de spelletjes doen of het verhaal naspelen met
de attributen.
Daarnaast krijgen ouders aanwijzingen hoe ze interactief
kunnen voorlezen en hoe ze effectieve gesprekken met kinderen
kunnen voeren naar aanleiding van het verhaal.
Die aanwijzingen staan in de 'leeswijzer' die in elke Verteltas
zit. Bovendien wordt er een speciale cursus 'taalstimulering' op
school aangeboden. In deze cursus komen de volgende onderdelen
aan bod: werken met de Verteltas, interactief voorlezen,
gesprekken voeren met kinderen en nieuwe woorden aanbieden.
De Verteltassen worden uitgeleend en in de thuissituatie
door ouders en kinderen gebruikt. Daarnaast in het ook een
project van de ouders zelf; het sluit aan bij de doelstellingen
van ouderparticipatie en educatief partnerschap. De nadruk ligt
daarbij op een andere manier van contact en overleg met ouders:
laagdrempelig, informeel contact;
veilige samenwerking;
contact met duidelijke afspraken en informatie;
wederzijds leereffect.
Uitvoering
Ouders en kleuters krijgen drie weken lang een bepaalde Verteltas mee naar huis. Het is een aantrekkelijke stoffen tas met voorop een prent uit het prentenboek.
Elke Verteltas bevat:
een prentenboek;
een cd, waarop het boek is ingesproken;
een non-fictieboek met informatie over het belangrijkste
thema uit het prentenboek;
werkbladen, werkjes en spelletjes die betrekking hebben op
het thema van de tas, met name taal-, wereldoriëntatie- of
rekenspelletjes om specifieke vaardigheden te verbeteren;
knuffels, handpoppen, vingerpoppen of verkleedkleren, waarmee
het boek uitgespeeld kan worden en het verhaal tot leven kan
komen;
attributen uit het boek;
een leeswijzer;
een schriftje waarin ouders hun ideeën en opmerkingen
over de Verteltas op schrijven; het kind kan in het schrift een
tekening of verwerking over de Verteltas maken.
De leerkracht neemt de tassen op een afgesproken ochtend in ontvangst en noteert in een kaartenbak dat hij terug is. Een groepje ouders en bovenbouwers controleert de ingeleverde tassen. Aan elke tas hangt een geplastificeerde kaart met daarop een opsomming van de inhoud. Als er iets ontbreekt, wordt dat genoteerd. Een groep ouders werkt wekelijks aan het op orde houden van de tassen en het ontwikkelen van nieuwe tassen.
Alle complete Verteltassen worden aan de Verteltassenkapstokken gehangen. Deze staan op een centrale en opvallende plaats in de school.
Het boek in de Verteltas is het uitgangspunt voor de
keuzeactiviteiten in de ochtend. Eerst haalt de leerkracht
één voor één alle onderdelen uit de
tas. Ze worden door haar benoemd en op het kleedje in de kring
gelegd. Vervolgens leest ze samen met de hele groep het boekje.
Ze past de principes van interactief voorlezen toe. De kinderen
zijn vertrouwd met het boek. Een aantal heeft deze tas ook al
mee naar huis gehad en kan vaak grote delen van de tekst
letterlijk mee zeggen.
Nadat het verhaal is gelezen, kiezen de kinderen in
tweetallen voor een verwerkingsactiviteit uit de tas.
Beurtelings mogen enkele kleuters bovendien een Verteltas van de
kapstok uitzoeken en met één van de aanwezige
ouders naar het Vertelhuisje gaan. De ouder heeft de sleutel,
doet het deurtje open om de exclusiviteit van het lezen in het
Vertelhuisje te onderstrepen en nestelt zich samen met de
kleuters in de dikke kussens. Daar leest hij interactief voor.
De kleuters koesteren tijdens het lezen de knuffels die uit de
tas zijn gekomen en praten mee met het verhaal.
Na het voorlezen haalt de ouder verwerkingsspelletjes uit de
tas. Het Vertelhuisje kan ook gebruikt worden door een leerling
uit de bovenbouw die interactief voorleest aan één
kleuter. Deze voorleesleerling heeft eerder al instructies
gekregen over de aanpak in het Vertelhuisje.
Organisatie
Op het microniveau (werken met kinderen) biedt de Verteltas
een scala aan gebruiksmogelijkheden. Leerkrachten en
peuterleidsters gebruiken de tas in hun groep,
bovenbouwleerlingen en ouders lezen ermee voor in het
Vertelhuisje en ouders gebruiken de tas in de thuissituatie met
hun kinderen.
Op het niveau van de school wordt het project gedragen door
een leerkracht/coördinator en een ouder. Samen met een
aantal ouders vormen zij de Verteltascommissie. Zij ontwikkelen
nieuwe tassen, coördineren de uitleen, teruggave en
controle van de verteltassen. Zij delegeren taken naar andere
ouders, zoals het maken van tassen, knippen en plakken. Deze
vaste kern van ouders vervult een brugfunctie naar de andere
ouders.
Op bovenschools niveau werken de initiatiefnemers van het
project inmiddels aan een verdere verspreiding van de methodiek.
Dit gebeurt in samenwerking met de Stichting Nederlands
Kenniscentrum Verteltassen. Vanuit de Stichting Verteltassen
worden er presentaties en workshops op andere scholen en
belangstellende organisaties verzorgd. Ook worden er 'train de
trainer'-cursussen gegeven aan onderwijsondersteunende
instellingen en aan begeleiders binnen en buiten scholen.
Middelen
Materiaal
De Regenboog beschikt op dit moment over een honderdtal
Verteltassen.
Tijd
De tijdsbesteding, zowel thuis als in de klas, is heel
wisselend. De introductie van de tas vergt meer tijd dan de
latere herhalingen. Kinderen werken ook zelf met de tas en
luisteren bijvoorbeeld naar de cd, zo'n sessie is weer
korter.
Menskracht
De leerkracht werkt in de klas met de tassen. Ouders en
leerlingen van de bovenbouw werken op de gang in het
vertelhuisje met kleine groepjes kinderen. Een veel grotere
commissie van leerkrachten/ ouders en bovenbouwleerlingen maakt
en onderhoudt de tassen.
Financiën
De kostprijs voor het maken van een Verteltas is
verschillend en hangt af van de gebruikte materialen. Ouders
maken tassen vrijwillig en schenken veel materialen voor de
Verteltas. Het meeste geld gaat naar de prentenboeken en
informatieve boeken, maar een school kan ook boeken gebruiken
van de schoolbibliotheek.
Planning
Met de Verteltas wordt zowel thuis als in de klas
gewerkt.
Resultaten
Qua ouderparticipatie heeft het Verteltasproject op De
Regenboog zichtbaar resultaten opgeleverd. De ouders die
Verteltassen mee naar huis krijgen tonen meer betrokkenheid bij
wat er op school gebeurt. De ouders die meewerken met het maken
van de Verteltassen worden aangesproken op hun eigen
capaciteiten en zijn medeverantwoordelijk voor een stukje
onderwijs. Uit videomateriaal en verhalen van ouders blijkt dat
de tassen thuis intensief en met veel plezier worden gebruikt.
Ook wat de doelstelling van meer (voor)leesplezier betreft, zijn
de resultaten duidelijk. Zowel kinderen als ouders zijn
enthousiast over de verteltassen. De tassen brengen voor hen de
verhalen inderdaad echt tot leven en het interactief voorlezen
heeft zich tot een vanzelfsprekende routine ontwikkeld.
Ten aanzien van de taalontwikkeling (waaronder woordenschat)
stellen de leerkrachten vooruitgang vast bij kinderen die thuis
regelmatig met de verteltas werken. Waar die vooruitgang precies
in zit en waardoor die precies wordt veroorzaakt, is echter nog
onduidelijk.
Het Verteltasproject vergroot het vertrouwen om Nederlands
te spreken en bevordert integratie. De inhoud van de Verteltas
brengt verhalen voor kinderen tot leven, helpt ze spelenderwijs
om ideeën, gevoelens en verhoudingen te verkennen en om
mondelinge vaardigheden te ontwikkelen. Bovendien stimuleert het
project het leesplezier en bevordert het ouderparticipatie bij
het onderwijs.
Tip
De Regenboogschool is klein begonnen met het
Verteltasproject. Intussen heeft de school veel ervaring en
deskundigheid opgedaan, maar klein beginnen blijft het advies.
Het succes van de Verteltassen hangt niet af van het aantal
tassen maar staat of valt met het enthousiasme van de mensen die
er mee bezig zijn: de kinderen, de ouders en de leerkrachten.
Daar dient de inzet dus vooral op gericht te zijn. Het is een
proces.
Voor scholen die zelf met Verteltassen willen werken, heeft de
Stichting Verteltassen workshops en trainingen ontwikkeld. Na
het volgen van een workshop kan je het 'Handboek Verteltassen'
bestellen. Dat beschrijft op concrete wijze, stap voor stap, hoe
de Verteltassen gemaakt kunnen worden en hoe ze een plaats
kunnen krijgen in het taal- en leesonderwijs van een school.
Naast aanwijzingen voor het maken van de tassen en het kiezen
van verwerkingsactiviteiten bevat het handboek een aantal
nuttige voorbeeldbrieven om ouders te informeren en activeren.
Voor coördinatoren, begeleiders en opleiders die de
Verteltasmethodiek op een school willen introduceren en
implementeren, is een 'train de trainer'-cursus ontwikkeld, die
verscheidene malen per jaar wordt georganiseerd.
Bronnen
Hoogh de, J.W. en Groot-Yadgar de E. 2005, 'Mag ik de
Verteltas van het Lieveheersbeestje' - De Wereld van het Jonge
Kind. Vol. 32: 162-165
Hoogh de, J.W. , Groot-Yadgar de E. en Meer van der I. 2006,
Reader voor de Train de Trainer Cursus Verteltassen. -
Amsterdam: Stichting Nederlands Kenniscentrum Verteltassen
Hoogh de, J.W. en Groot-Yadgar de E. 2005, Handboek
Verteltassen - Amsterdam: Stichting Nederlands Kenniscentrum
Verteltassen
Contactinformatie
1e Katholieke Montessorischool De Regenboog in Amsterdam
Josien Branbergen en Joke de Hoogh
Telefoon: 020 - 697 21 76
E-mail: j.branbergen@regenboogamsterdam.nl
Efrat de Groot-Yadgar
Stichting Nederlands Kenniscentrum Verteltassen
centrum@verteltas.nl
www.regenboogamsterdam.nl
www.verteltas.nl
PROJECTBESCHRIJVING 'VEROORDEELD TOT
GEDICHTEN'
Provinciaal Technisch Instituut, Eeklo
'Poëzie is iets voor meisjes'. Dat vooroordeel leeft sterk bij jongens uit het technisch en beroepsonderwijs. Met traditionele lesmethodes slaagt de leraar Nederlands er niet in daar verandering in te brengen. Daarom kiest het PTI Eeklo voor een meer projectmatige aanpak. Vier jaar lang, van het derde tot het zesde jaar, zijn leerlingen taakgericht en creatief met poëzie bezig. Hun persoonlijke belevenissen en hun leefwereld staan daarbij centraal. Naast literatuuronderwijs krijgen ook taalvaardigheid en sociale vaardigheden een belangrijke plaats. Het resultaat is zoveel als een omwenteling.
School en omgeving
Het Provinciaal Technisch Instituut in Eeklo is een school
voor technisch en beroepssecundair onderwijs (tso/bso), gelegen
in een landelijke omgeving in Oost-Vlaanderen. De stad Eeklo
(wat 'eikenbos' betekent) is meer dan 800 jaar oud en telt ruim
19 000 inwoners. Ze is de hoofdstad van het Meetjesland, een
landelijk gebied tussen Gent en Brugge.
De school, die ongeveer 1 000 leerlingen telt, rekruteert
vooral autochtone leerlingen uit de brede omgeving.
Tso-leerlingen hebben de keuze hebben uit verschillende
studierichtingen: Industriële Wetenschappen,
Elektro-Mechanica, Elektriciteit-Elektronica, Mechanische
Technieken, Elektro-, Hout- en Bouwtechnieken. Leerlingen die
beroepssecundair onderwijs (bso) volgen, hebben de keuze uit
nijverheidsrichtingen zoals metaal, hout en bouw. Verdere
specialisatie is mogelijk via zevende specialisatiejaren
(regeltechnieken, fotolassen, renovatie bouw). Ook de
Middenschool en het Centrum voor Volwassenenonderwijs zijn in
het PTI gevestigd.
Beschrijving van het project
Aanleiding
Leerlingen uit het technisch secundair onderwijs (tso) zijn minder literatuur-minded dan leerlingen uit het algemeen secundair onderwijs (aso). Dat geldt a fortiori voor hun houding tegenover poëzie. En het wordt nog moeilijker als je poëzie verkocht wil krijgen aan een overwegend mannelijk publiek in nijverheidstechnische studierichtingen, zoals mechanica en elektriciteit. 'Poëzie is sentimenteel' en 'Poëzie is iets voor meisjes' zijn vaak gehoorde vooroordelen. Het falen van de traditionele les Nederlands om deze leerlingen warm te maken voor poëzie was de directe aanleiding om het over een andere boeg te gooien.
Doelstelling
Doel van het project is leerlingen uit het technisch secundair onderwijs (tso) te doen ontdekken dat een goed gedicht ook een technisch goed bedacht ding is en op die manier ook hun interesse te wekken voor de inhoud van gedichten. In het verlengde daarvan wil het project bereiken dat deze leerlingen hun vooroordelen tegenover poëzie overboord gooien en daarbij inzien dat poëzie een avontuur is waarvoor je verbeelding en al je zintuigen nodig hebt. De leerlingen leren hun associatief vermogen maximaal te gebruiken.
Doelgroep
Leerlingen uit het technisch secundair onderwijs (tso), tweede en derde graad.
Opzet
Tijdens een traject dat vier leerjaren in beslag neemt,
worden de leerlingen op verschillende manieren vertrouwd gemaakt
met poëzie. De klemtoon ligt op doen: niet enkel
poëzie lezen, maar er creatief mee werken en zelf
poëzie schrijven. In het zesde jaar (= het vierde jaar van
het traject) verdedigen de leerlingen hun favoriete dichter voor
een poëzietribunaal.
De leerlingen leren:
dat er een waaier van recepten voor het lezen en schrijven
van interessante poëzie voorhanden is;
dat ze hun kijk op poëzie op verschillende manieren
kunnen vormgeven;dat poëzie deel uitmaakt van hun persoonlijke leefwereld;
Doordat de leerlingen ervaren dat hun analyse, hun mening,
hun interpretatie waardevol is en ernstig wordt genomen,
ontwikkelen ze bovendien een sterker zelfbeeld.
Uitvoering
Het project neemt vier leerjaren in beslag en start in het derde jaar. De leerlingen zijn dan 14 à 15 jaar oud. Er is een duidelijke leerlijn aanwezig:
1. De doos van Pandora
Fase 1: Derdejaarsleerlingen kiezen individueel een gedicht
uit een pakket van bundels en bloemlezingen voor jongeren en
volwassenen. De leraar maakt vooraf een selectie om de kwaliteit
van de gedichten te garanderen. Gedichten lukraak van het world
wide web plukken mag niet. Poëzie die daar te vinden is,
laat qua kwaliteit vaak te wensen over.
Fase 2: Elke leerling verwerkt zijn interpretatie van dat
gedicht niet woordelijk, maar associatief-beeldend. Dat doet hij
concreet door in een doos vier voorwerpen te stoppen die naar de
inhoud van het gedicht verwijzen. De leerlingen stoppen in de
doos ook één voorwerp dat niets met het gedicht te
maken heeft, maar dat bij hen negatieve gevoelens oproept.
Fase 3: Een leerling beschrijft de doos van een
medeleerling. Hij brengt de illustraties en de voorwerpen die in
de doos zitten in verband met het bijhorend gedicht. Let wel, op
dat moment kent hij het gedicht van zijn medeleerling niet, hij
kan enkel gissen naar de inhoud ervan.
Fase 4: De twee leerlingen discussiëren over de
betekenis van het gedicht. De andere leerlingen luisteren en
proberen te achterhalen wat de 'juiste oplossing' is. Het gaat
er niet om of de interpretatie correct is, wel of ze volledig
is, geënt op wat er werkelijk in het gedicht staat en of de
interpretatie beantwoordt aan wat men zich bij de lectuur van
het gedicht kan voorstellen. De leerlingen maken op een spontane
manier associaties.
Fase 5: De maker van de doos leest zijn gedicht voor,
bespreekt de verwerking ervan en vertelt iets over het voorwerp
dat bij hem negatieve gevoelens oproept. Later zal dat voorwerp
als basis dienen om zelf een gedicht te schrijven. Ook hier
komen de andere leerlingen aan bod, door met de maker van de
doos te discussiëren over zijn interpretatie van het
gedicht.
De fasen 3, 4 en 5 worden hernomen tot alle leerlingen aan
bod zijn gekomen.
2. Gedicht op smaak
Fase 1: Groepjes van vierdejaars kiezen een gedicht uit een
pakket bundels en bloemlezingen.
Fase 2: De leerlingen kiezen een recept uit een kookboek,
waarvan de smaak en kleur overeenstemmen met de 'tonaliteit' van
het gekozen gedicht; ze maken het gerecht klaar. Daarbij moeten
ze samenwerken met het keukenpersoneel van de school.
Fase 3: Medeleerlingen bekijken en proeven het gerecht en
proberen te bedenken waarover het gedicht gaat. Ook hier gaat
het er niet om of de interpretatie correct is, wel of ze
volledig is, geënt op wat er werkelijk in het gedicht staat
en of de interpretatie beantwoordt aan wat men zich bij de
lectuur van het gedicht kan voorstellen. De leerlingen maken op
een spontane manier associaties.
Fase 4: Zoals in een kookprogramma presenteren de makers hun
gedicht. Ze beschrijven de manier waarop ze het gerecht hebben
klaargemaakt, leggen de link met het gedicht en interpreteren
het van daaruit. Ze maken een menukaart en gebruiken daarbij de
poëtische taal die in de betere restaurants gehanteerd
wordt. Ook hier komen de andere leerlingen aan bod: met de
'koks' wisselen ze van gedachten over hun interpretatie van het
gedicht én over elkaars kookkunsten.
De fasen 3 en 4 worden hernomen tot alle leerlingen aan bod
zijn gekomen.
3. Bijklank / Een wereldreis doorheen gedichten
3.1 Bijklank
Fase 1: De vijfdejaars gaan in groepjes van drie op zoek
naar gedichten met veel klankkleur en proberen die bij een
bepaald muziekgenre onder te brengen.
Fase 2: De leerlingen schrijven een songtekst met
gelijkaardige klankkleur.
3.2 Een wereldreis doorheen gedichten
Fase 1: Elke leerling kiest een gedicht in vertaling, dus
geen Vlaams of Nederlands gedicht, maar een gedicht uit een
ander land. Hij verzamelt vijf typische beelden uit dat land van
gebouwen, natuur of mensen. Bovendien verzamelt hij informatie
over het aantal inwoners, de economische situatie, de culturele
blikvangers of hoogtepunten van het land. Daarnaast spoort hij
informatie op over de auteur van het gedicht en bespreekt hij de
vorm en de inhoud van het gedicht. Dat alles verwerkt hij in een
dossier en in een PowerPointpresentatie.
Fase 2: Elke leerling toont de andere leerlingen enkele
typische beelden van het land. De klas probeert te raden over
welk land het gaat. Daarna houdt de leerling een presentatie
over het land en koppelt daaraan zijn bespreking van het
gedicht. Op die manier ontstaat een gesprek over culturele
verschillen en over de sporen daarvan in literatuur.
4. Gedichtentribunaal
Fase 1: In het begin van het schooljaar kiezen alle
zesdejaars een dichter en zijn werk uit de literaire canon. Er
worden een aantal namen gesuggereerd van dichters met werk uit
verschillende stromingen, van de naoorlogse poëzie tot de
jongste generatie.
Fase 2: De leerlingen zoeken informatie op over de dichter.
Ze verzamelen ook recensies van zijn werk (zowel positieve als
negatieve). Aan de hand daarvan bereiden ze een verdediging van
hun dichter voor.
Fase 3: Tijdens een poëzietribunaal houdt elke leerling
een pleidooi voor de kwaliteiten van zijn dichter. Vooraf zoeken
ze negatieve recensies over de dichters van hun medeleerlingen
op, om die dichters te 'beschuldigen'.
Middelen
Materiaal
Een ruime keuze van poëziebundels en bloemlezingen,
dozen, illustratiemateriaal, voorwerpen, kookboeken, boeken met
songteksten, cd's, het world wide web en documentatie over het
verloop van een zitting in de rechtbank. Veel materiaal
ontwikkelen de leerlingen zelf.
Tijd
Het project neemt tien lesuren per schooljaar in beslag.
Daarnaast gebeuren sommige voorbereidingen door de leerlingen
thuis.
Menskracht
Honderd leerlingen van vier leerjaren worden in het project
begeleid door drie leerkrachten. Dat is het maximum. Dit project
verdraagt geen grootschaligheid, want er is intimiteit nodig om
over poëzie te spreken met elkaar.
Financiën
Er zijn geen grote structurele kosten.
Planning
Het project loopt gedurende enkele weken in elk
leerjaar.
Resultaten
De leerlingen:
krijgen interesse voor een voor hen niet voor de hand
liggend literair genre;
leren associatief en creatief lezen, denken, verwerken en
schrijven;
leren hun verbeelding gebruiken;
luisteren gericht naar elkaars mening en leren
discussiëren;
leren argumenteren.
Het verloop van het project, de eindproducten en
verscheidene taalvaardigheden worden beoordeeld door de
leerkracht en door de medeleerlingen (peer evaluation). Dat de
leerlingen voor poëzie gewonnen zijn, blijkt uit het
groeiend plezier waarmee ze tijdens het traject gedichten lezen.
Omdat het project zoveel succes heeft, zal het zeker worden
voortgezet.
Transfermogelijkheden
Het project kan zonder veel problemen worden overgezet naar andere scholen, zolang men maar oog heeft voor intimiteit en kleinschaligheid.
Contactpersoon
Paul Demets
Tel. 003 293 707 373 (centraal nummer Provinciaal Technisch
Instituut Eeklo)
p.demets@ptie.oost-vlaanderen.be
Woordverklaring
Een verklarende woordenlijst van Nederlandse en Vlaamse onderwijstermen vind je op http://taalunieversum.org/onderwijs/termen
PROJECTBESCHRIJVING 'EEN STAP IN HET
ONBEKENDE'
Provinciaal Technisch Instituut Eeklo (in
samenwerking met het Goese Lyceum)
We onthouden negentig procent van wat we zelf aan iemand uitleggen. Dit pedagogisch paradigma zet het PTI Eeklo heel doelgericht om in de praktijk. De vierdejaars Bouw van de school gaan op bezoek bij de leerlingen Drama van een school in Goes en krijgen er een theaterinitiatie. Aan het eind daarvan geven ze zelf een voorstelling. Op hun beurt krijgen de leerlingen Drama initiatielessen decorbouw van het vierde BSO-Bouw. Daarnaast zakken vierdejaars Consumptief vanuit Goes naar Eeklo af om een muur te leren metselen. De Eeklose leerlingen ontwikkelen daarvoor een presentatie en lesmateriaal. Eenvoudige en efficiënte communicatie staat centraal in dit project, dat een schoolvoorbeeld is van taakgericht taalonderwijs.
School en omgeving
Het Provinciaal Technisch Instituut in Eeklo is een school
voor technisch en beroepssecundair onderwijs (tso/bso), gelegen
in een landelijke omgeving in Oost-Vlaanderen. De stad Eeklo
(wat 'eikenbos' betekent) is meer dan 800 jaar oud en telt ruim
19 000 inwoners. Ze is de hoofdstad van het Meetjesland, een
landelijk gebied tussen Gent en Brugge.
De school rekruteert leerlingen uit de brede omgeving. Die
hebben de keuze uit verschillende studierichtingen binnen de
sectoren metaal, hout en bouw, bv. Industriële
Wetenschappen, Elektro-Mechanica, Hout- en Bouwtechnieken,
Lassen. Verdere specialisatie is mogelijk via
zevendejaaropleidingen (bv. Regeltechnieken, Fotolassen,
Renovatie bouw). Ook de Middenschool en het Centrum voor
Volwassenenonderwijs zijn in het PTI gevestigd.
Dit project, waarbij wordt samengewerkt met een school over
de grens, staat niet op zichzelf.
Eerdere projecten werkten volgens hetzelfde principe,
waarbij leerlingen van twee scholen met verschillende
studierichtingen haast letterlijk een stap in het onbekende
zetten en van elkaar leren. Zo was er in het schooljaar
2004-2005 een kook- en lasinitiatie, en dit schooljaar een
dramatweedaagse, een metsel- en kookinitiatie en een
decorbouwsessie. Op het programma voor de toekomst staat onder
meer een internationale bouwwedstrijd.
Beschrijving van het project
Aanleiding
Jaarlijks ontmoeten de leerkrachten van het PTI Eeklo leerkrachten van een andere school. Op die manier maken zij kennis met de schoolcultuur en didactische werkvormen van hun collega's. De overstap naar taakgericht onderwijs via een samenwerkingsproject met leerlingen is dan ook snel gemaakt.
Doelstelling
Het project streeft drie grote doelstellingen na:
de leerlingen ontwikkelen waardering en openheid voor
elkaar, voor het vakgebied van andere leerlingen en voor
onderlinge culturele verschillen;
de leerlingen bouwen expertise op in hun eigen vakgebied,
waarin ze feitelijk als leerkracht gaan fungeren;
de leerlingen overbruggen taalbarrières en oefenen
hun taalvaardigheid.
De school, ten slotte, wil structureel contactmomenten
inbouwen tussen Vlaamse en Nederlandse jongeren.
Doelgroep
Leerlingen uit het beroepssecundair onderwijs (bso).
Opzet
De leerlingen zetten letterlijk - zoals de naam van het
project doet vermoeden - een stap in het onbekende. Zij krijgen
het bezoek van een vmbo-school in Goes en voeren twee opdrachten
uit:
ze stellen hun school aan de Goese leerlingen (vierdejaars
Consumptief horeca) voor via een PowerPointpresentatie die ze
vooraf hebben gemaakt;
ze leren de Goese leerlingen een muur bouwen met een venster
en een deur erin.
De Nederlandse leerlingen hebben geen enkele voorkennis van
metselen, opvoegen en bouwen. Elke leerling uit Eeklo begeleidt
een leerling uit Goes, geeft hem instructies, feedback enz.
Uitvoering
De leerlingen, vierdejaars Bouw (bso), leerden hun
partnerschool in Goes kennen via een bezoek (dramaopdracht)
eerder in het schooljaar. Nu is een klas vierdejaars Consumptief
horeca (vmbo) op bezoek in Eeklo.
Fase 1: De leerlingen maken met het programma PowerPoint een
presentatie van hun school. De leerkracht legt enkel uit wat de
elementen van een goede presentatie zijn, de rest moesten de
leerlingen zelf doen. Zij focussen daarbij op de grote lijnen
van de schoolorganisatie en op de verschillen tussen hun school
en die van Goes.
Fase 2: Elke leerling krijgt een leerling van Goes
toegewezen, die hij instructies moet geven en begeleiden voor
een opdracht: een muur metselen met venster en deur erin en de
muur opvoegen. Dat moet hij doen in een eenvoudige taal en met
korte demonstratiemomenten. Vooraf hebben de leerlingen korte
opdrachten (met een inleiding) gekregen om een bouwplan te
maken, om voorwerpen uit te leggen enz. Het welslagen van de
opdracht staat of valt immers met efficiënte en duidelijke
communicatie. De leerlingen uit Goes kennen van metselen en
opvoegen zo goed als niets. Zij voeren de instructies uit en
stellen eventueel vragen.
Fase 3: Enkele weken later komen de leerlingen Drama van
Goes naar Eeklo. Dan bouwen zij mee een decor voor een
voorstelling. De Vlaamse leerlingen geven de Nederlandse
leerlingen instructies en helpen ze.
Middelen
Materiaal
Materiaal ontwikkeld door de leerlingen:
PowerPointpresentatie, schema rondleiding en uitleg bij
lastoestellen, bouwplan.
Tijd
Het project duurt twee dagen (totaal: 16 uur). De
voorbereiding voor de presentatie en het lesmoment neemt acht
uur in beslag.
Menskracht
Veertig leerlingen doen aan het project mee, begeleid door
twee leerkrachten. Het is de bedoeling het project uit te
breiden naar andere studierichtingen en eventueel andere
scholen.
Financiën
De kosten zijn relatief laag. Enkel het vervoer moet worden
bekostigd en dat wordt fundamenteel gedragen door de provincies
Oost-Vlaanderen en Zeeland.
Resultaten
Algemeen
De relatie leraar-leerling verandert. Omdat de leerlingen
het goed willen doen, vragen ze assistentie aan de leraar. Ook
hij gaat zich medeverantwoordelijk voelen voor het welslagen van
het project.
Voor de leerlingen:
Alle leerlingen zijn bij het project betrokken, dus niet
alleen de beste metselaars of de meest taalvaardige leerlingen.
De leerlingen van beide scholen zijn erg enthousiast over
het geheel. De Nederlandse leerlingen zijn trots dat ze de muur
zo goed hebben gebouwd en de Vlaamse leerlingen zijn trots dat
hun 'leerlingen' het zo goed gedaan hebben.
Doordat de leerlingen niet weten bij wie ze precies zullen
terechtkomen, kunnen zij niet vertrekken vanuit vooroordelen die
belemmerend kunnen werken. Door het 'doen', het 'maken' van
zaken ontstaat een heel grote openheid die grensoverschrijdend
werkt.
De leerlingen ervaren hun talige taken (de school
voorstellen, uitleg geven ...) niet als schools. Ze beseffen
dat ze taal nodig hebben om een goede indruk na te laten, om een
goede muur neer te zetten ...
Allerlei vooroordelen worden weggenomen: vooroordelen van
Nederlanders tegenover Vlamingen en omgekeerd, vooroordelen
tegenover metselen (want dat bleek veel ingewikkelder te zijn
dan verwacht), vooroordelen tegen leerkrachten.
Het zelfbeeld van de Vlaamse leerlingen is duidelijk heel
positief geëvolueerd.
Voor de leerkrachten:
Bij het hele project worden voortdurend andere leerkrachten
dan mensen die Nederlands als vak geven, betrokken (lassen,
metselen, drama, koken ...). Zij ervaren de meerwaarde voor hun
eigen vak (wat je kunt uitleggen, beheers je beter) en voor de
taalvaardigheid van de leerlingen.
Ook de leerkrachten uit Goes en de adjunct-directeur vinden
het geweldig. Zij gaan ervoor zorgen dat iets dergelijks ook
zou gebeuren als Vlaamse leerlingen komen koken.
Zowel theorie- als praktijkleerkrachten werken samen om het
project te realiseren. De directie steunt het initiatief, ook al brengt het soms het
normale schoolleven/de lessenrooster in het gedrang. Ook andere
leerkrachten accepteren deze 'buitenschoolse' activiteit, omdat
ze er de meerwaarde van inzien.
Conclusie
Een degelijk uitgewerkt project van gedreven leerkrachten,
dat door de leerlingen met veel enthousiasme wordt onthaald. De
resultaten zijn indrukwekkend in al hun eenvoud.
Transfermogelijkheden
Doordat het concept zo wonderlijk eenvoudig is, kan elke school het overnemen.
Contactpersonen
D. Vandecasteele, Henk Vlerick
Tel. 003 293 707 373
henk.vlerick@scarlet.be
Woordverklaring
Een verklarende woordenlijst van Nederlandse en Vlaamse onderwijs termen vind je op http://taalunieversum.org/onderwijs/termen
PROJECTBESCHRIJVING 'GEDICHTENROUTES DOOR DE
STAD'
Berkenboom Humaniora, Sint-Niklaas
Creatief omgaan met poëzie. Daarvoor trekt het Instituut Berkenboom in Sint-Niklaas op Gedichtendag alle registers open. De zesdejaars werken een compleet en gevarieerd poëzieproject uit, zoeken hiervoor locaties uit in de stad en nodigen de rest van de school uit om langs twee poëzieroutes kennis te maken met hun creaties. Niet alleen oefenen de leerlingen hun taalvaardigheid, ze krijgen een groter hart voor poëzie en leren tegelijk organiseren en hun verantwoordelijkheid nemen.
School en omgeving
Het Instituut Berkenboom is een vrije katholieke school in het Oost-Vlaamse Sint-Niklaas, een stad van bijna 70 000 inwoners midden in het van oorsprong agrarische Waasland. De stad is genoemd naar zijn patroonheilige; de heilige Nicolaas van Myra, beter gekend als Sint-Nicolaas, de gulle kindervriend. De school heeft een traditie die teruggaat tot het jaar 1659, toen enkele 'geestelijke dochters' huisjes huurden om de plaatselijke jeugd te onderwijzen. Meermaals werd de school het slachtoffer van machtswisselingen in de geschiedenis, maar steeds weer bleef ze overeind of werd ze - na een korte sluiting - heropend. Vandaag kunnen leerlingen er les volgen in het algemeen secundair onderwijs (Latijn, Economie, Wiskunde, Wetenschappen, Moderne Talen) en het technisch secundair onderwijs (Boekhouden-Informatica).
Beschrijving van het project
Aanleiding
Vanaf de start van Gedichtendag in 1998 wordt er op school op die dag een initiatief rond poëzie genomen. Al zes jaar lang organiseren de zesdejaars activiteiten voor de directie, de leerkrachten en alle andere leerlingen. De voorbije jaren waren er poëtische speurtochten door het schoolgebouw, een Arabisch hoekje met vertaalde poëzie en muntthee, gedichten in stripvorm, aquaria met drijvende poëzie, een fotocollage van leerlingen met hun favoriete dichtregel, een groeigedicht op de speelplaats... De reikwijdte en de impact van die initiatieven werden alsmaar groter en wat eerst een klasgebeuren was, is een schoolgebeuren geworden. Nu trekt men voor het eerst buiten de school de stad in.
Doelstelling
Het project streeft vijf doelstellingen na:
leerlingen op een alternatieve en aangename manier kennis
laten maken met poëzie;
de persoonlijke beleving van poëzie bij leerlingen
stimuleren;
poëzie toegankelijker maken voor leerlingen die daar
niet zomaar voor open staan;
leerlingen de verantwoordelijkheid geven voor de realisatie
van een project;
leerlingen leren organiseren en samenwerken.
Doelgroep
Tweede en derde graad algemeen secundair onderwijs (aso).
Opzet
Zesdejaars stippelen twee stadsroutes uit. Op beide routes selecteren zij negen locaties. Elke locatie wordt toegewezen aan een klein groepje leerlingen. Zij brengen er op een originele en aansprekende manier poëzie die past bij de gekozen locatie. De leerlingen gebruiken daarvoor uiteenlopende media. Op de Gedichtendag volgen de leraren en leerlingen van andere leerjaren de routes. Op de locaties wonen ze de presentaties bij. Ook toevallige passanten worden daartoe uitgenodigd. Doordat de verantwoordelijkheid voor de uitwerking van het project bij de zesdejaars ligt, leren deze leerlingen instaan voor alle logistieke en organisatorische aspecten van het evenement.
Uitvoering
Fase 1: Twee leerkrachten Nederlands starten in januari
(begin tweede semester) met de voorbereiding. De leerlingen van
het zesde jaar worden aangesproken om het evenement praktisch en
inhoudelijk uit te werken. Zij kiezen of maken
teksten/gedichten, die ze op Gedichtendag op verschillende, in
overleg met de leraressen te kiezen plaatsen, zullen
presenteren. De gedichten halen de leerlingen uit allerlei
bundels die de leerkrachten ter beschikking stellen of die zij
opzoeken in de bibliotheek. Op die manier komen de leerlingen in
contact met allerlei gedichten en stijlen. Deze zoektocht
gebeurt gedeeltelijk in en gedeeltelijk buiten de klas. In de
klas zijn ze daar een zestal lesuren mee bezig. Zodra ze
gedichten/teksten hebben verzameld, werken de leerlingen een
manier uit om de vorm en inhoud van het gedicht op een eigen
manier weer te geven. Analyse wordt verbonden met leeservaring.
Fase 2: De zesdejaars stippelen twee routes uit in de
stadskern. Op elk van deze routes punten zij negen locaties af.
Elke locatie wordt toegewezen aan een klein groepje leerlingen,
die er op een originele en aansprekende manier poëzie naar
voor brengen die past bij de gekozen locatie. Ze gebruiken
hiervoor uiteenlopende media: video, klankband, maquettes, live
muziek, dans, voordracht, toneel, geborduurde teksten,
marktkraam, affiches, flyers ... Op die manier wordt heel wat
taalvaardigheid op een normaal-functionele manier ingeoefend.
Verantwoordelijkheidszin en leren samenwerken krijgen die dag
eveneens veel aandacht.
Fase 3: Op Gedichtendag volgen leerkrachten en leerlingen
van andere leerjaren de routes en wonen op elke locatie de
presentaties bij. Ook toevallige passanten worden daartoe
uitgenodigd. Enkele voorbeelden: klavecimbelmuziek en proza van
Toon Tellegen in de Walburgstraat, dans en
poëzievoordrachten in de Stadsschouwburg, een
poëtische zoekopdracht in het park (aansluitend op een
huwelijksceremonie), en voorts mantra's, klankschalen,
wereldpoëzie enz. De leerlingen van de eerste graad krijgen
op dat moment poëzie op school. De zesdejaars zijn
verantwoordelijk voor de inhoud, maar ook voor de organisatie
van de dag.
Middelen
Materiaal
De leerlingen maken zelf videobeelden, zingen rapteksten,
ontwerpen een poëtisch Rad der Fortuin, maken maquettes
enz.
Tijd
Het project wordt uitgevoerd tijdens de lesuren, ook op
Gedichtendag. In de klas wordt gedurende zes lesuren aan het
project gewerkt. Thuis werkten de leerlingen er ongeveer twaalf
uur aan verder.
Menskracht
Aan het project doen alles samen dertig klassen (derde tot
zesde jaar) mee, wat neerkomt op 600 leerlingen en 32
leerkrachten. Twee leerkrachten coördineren het project dat
de zesdejaars organiseren.
Financiën
Er zijn geen noemenswaardige extra kosten.
Planning
Het project start begin januari en kent zijn hoogtepunt op
Gedichtendag, traditioneel de vierde donderdag van januari. De
voorbereiding gebeurt in de les (zes lesuren) en thuis.
Resultaten
Zowel de organiserende zesdejaars als de leerlingen en
leerkrachten die de routes lopen, maken een schriftelijke
evaluatie. Daaruit komt de algemene conclusie dat leerlingen een
veel positievere kijk ontwikkelen op poëzie, meer oog
hebben voor alle aspecten van het genre en er beter van kunnen
genieten. Het project van de stadsroutes is een succes en wordt
volgend jaar hernomen. Andere vaststellingen:
De verantwoordelijkheid die de zesdejaars krijgen om het
gebeuren te organiseren, geeft ze een positievere houding
tegenover de school en al wie erin mee draait.
De school toont zich ook buiten de muren van het gebouw en
neemt de stad in. Er ontstaat op die manier een boeiende
wisselwerking tussen plaatsen en mensen in de stad aan de ene
kant en gedichten en jongeren aan de andere kant. Zo werden de
leerlingen in het Vrouwencentrum van Sint-Niklaas hartelijk
ontvangen en ontstond er een gesprek tussen mensen die elkaar
waarschijnlijk anders niet zouden ontmoeten. Leerlingen kregen
ook veel respect voor de mensen in een gebouw amper enkele
honderden meters van de school. Iedereen wil dit contact verder
uitwerken en stimuleren.
De meeste leraren zijn in de loop van de jaren positiever
tegen het poëzieproject gaan aankijken.
Het oudercomité reageert enthousiast.
De dag zelf blijft ook hangen bij de leerlingen van de
klassen die zijn gaan kijken. De vijfdejaars weten al dat het
straks hun beurt is om Gedichtendag vorm te geven. De zesdes
zijn trots op wat ze die dag bereikt hebben, het is goed voor
hun zelfbeeld.
Transfermogelijkheden
Het hele project is zonder al te veel moeite overzetbaar naar andere scholen. Het vraagt organisatorisch wel wat, maar de technieken om de hele school in de stad gedichten tot leven te laten brengen, kunnen overal worden gebruikt. Het project vraagt maar een beperkt aantal lesuren en een beperkte tijd van de leerlingen buiten de les. Voor slechts twee begeleidende leraars is het wel een stevig geheel om rond te krijgen.
Contactpersoon
Lucile Hemelaer
+32 477 61 61 37
Lucile.hemelaer@skynet.be
Woordverklaring
Een verklarende woordenlijst van Nederlandse en Vlaamse onderwijs termen vind je op http://taalunieversum.org/onderwijs/termen
PROJECTBESCHRIJVING 'DIGITAAL VERTELLEN'
Project van
Stichting Teleac NOT, uitgevoerd in twintig scholen
Voor sommige leerlingen zijn taaltaken wel een bijzonder hoge berg om tegenaan te kijken. Tenzij ze die berg zelf vorm mogen geven. Met Digitaal Vertellen kunnen ze dat. Digitaal Vertellen is een multimediaal project van Schooltv waar leerlingen van de meest uiteenlopende onderwijsniveaus mee aan de slag kunnen. Leerlingen vertalen een verhaal in beeld en geluid en leren op die manier basisprincipes uit de camerawereld. Tijdens de lessen Nederlands leren ze een scenario, script en storyboard maken. In de daaropvolgende workshop maken ze filmpje.
De organisatie
Schooltv maakt televisieprogramma's en begeleidend materiaal
voor peuters, leerlingen in het primair onderwijs en middelbare
scholieren. 92 procent van alle scholen voor primair onderwijs
en de helft van de scholen voor voortgezet onderwijs maakt ervan
gebruik. Het world wide web (www.schooltv.nl,
www.eigenwijzer.nl) speelt daarbij een belangrijke rol.
Bij alle televisieprogramma's die Schooltv uitzendt, is
lesmateriaal beschikbaar. Afhankelijk van het project is dat een
handleiding voor docenten en leerlingenmateriaal, cd, cd-rom
en/of de websites.
Teleac/NOT laat scholieren in de onderbouw van het
voortgezet onderwijs zelf digitale clips produceren. Deze clips
worden uitgezonden op televisie en gepubliceerd op de website
van het project. Bij de opzet van het project en de productie
van de clips krijgt TeleacNOT steun van het Nederlands Instituut
voor Filmeducatie, de Hogeschool Utrecht, de Educatieve
Hogeschool van Amsterdam en Waag Society. Het project startte in
het najaar van 2003 met workshops op middelbare scholen. Tijdens
de workshops maken de leerlingen clips, die kort daarna op de
website verschijnen.
Beschrijving van het project
Aanleiding
In Engeland en Amerika maakt men al enkele jaren gebruik van Digital Storytelling. Dat is een concept waarbij mensen op een nieuwe en directe manier hun eigen verhaal vertellen. Niet alleen tekst, maar ook beelden en muziek worden gebruikt om een filmpje te maken dat vooral een persoonlijk document van de maker is. Die heeft in de meeste gevallen weinig of geen ervaring met multimediale technieken, maar tijdens workshops leert hij die technieken op een persoonlijke manier gebruiken. Het Nederlandse project is op maat gesneden van het onderwijs: kinderen vertellen een persoonlijk verhaal en maken daarvan in de klas een digitale videoclip.
Doelstelling
Het project wil drie doelstellingen realiseren:
Kijk- en luistervaardigheid: aan de hand van clips die hun
leeftijdgenoten maken, oefenen de leerlingen hun kijken en
luisteren. Zij benoemen wat ze zien, beoordelen dat en
onderbouwen hun mening.
Schrijfvaardigheid: de leerlingen schrijven een eigen,
persoonlijk verhaal en maken daarvan een scenario. Vervolgens
maken ze een script op en dan een storyboard. Ten slotte draaien
ze zelf een film.
Media-educatie: de leerlingen raken vertrouwd met
verschillende media.
Doelgroep
Digitaal Vertellen is bedoeld voor de eerste vier leerjaren van het vmbo. Vooral leerlingen die opkijken tegen taaltaken hebben veel baat bij het project. Voor scholen die de basisvorming in de richting van scenario 3 of 4 uitwerken, geeft dit project de mogelijkheid om verschillende vakken te integreren en taalgericht vakonderwijs te geven. In principe kunnen kinderen elk op hun eigen niveau aan filmpjes werken.
Opzet
Digitaal Vertellen sluit eigenlijk vooral aan bij mediaonderwijs. De relatie met het vak Nederlands ligt in de fictieleerlijn en in de mondelinge vaardigheden binnen het programma Nederlands. Leren werken met perspectief, spanning opbouwen e.d. zijn elementen die leerlingen in literatuur leren ontdekken en bij schrijven zelf leren toepassen. Binnen dit project hanteren ze die begrippen bij het beeldend vertellen. Leerlingen vertalen een verhaal in beeld en geluid en komen op die manier in aanraking met de basisprincipes uit de camerawereld. Tijdens de reguliere lessen Nederlands leren de leerlingen een scenario, script en storyboard maken. In de daaropvolgende workshop leren ze een filmpje maken. De producten worden in vier stappen beoordeeld: door het groepje zelf, door de klas, door de docent en tenslotte in een plenaire presentatie door het publiek van ouders.
Uitvoering
Het project wordt in drie fasen uitgevoerd:
Fase 1: Het eerste deel van circa tien lessen is de
cursorische lijn, gericht op het leren schrijven van een verhaal
met alle daaraan verbonden kenmerken, zoals spanning, tijd,
ruimte, karakter. Leerlingen verwerven de woordenschat die
gebruikelijk is bij het maken van films. Ze overleggen, spreken
hun creatieve vermogens aan, maken afspraken en leggen die vast.
De leerlingen presenteren hun verhalen aan de rest van de klas,
die op het werk van elke productiegroep feedback geeft. Het
schrijven van een eigen verhaal, het indikken tot scènes
en het uiteindelijk verdichten tot kreten in een storyboard zijn
zaken waarmee de vmbo-leerling normaliter veel problemen heeft.
Fase 2: De volgende tien lessen leren de leerlingen foto's
invoeren in een computerprogramma. Ze leren voice-overs opnemen,
effecten toepassen e.d.
Fase3: Ten slotte worden de clips die de leerlingen hebben
gemaakt in vier stappen geëvalueerd: door het groepje
leerlingen zelf, door de klas, door de docent en ten slotte in
een plenaire presentatie door de ouders.
Middelen
Materiaal
De school zelf moet voldoende (krachtige) computers in huis
hebben. Groepjes van twee tot vier leerlingen moeten elk een
goede werkplek hebben waar ze samen naar het scherm kunnen
kijken. TeleacNOT werkt aan oplossingen voor scholen die niet
met eigen hardware kunnen werken.
Voor elke fase in het project werd een handleiding
ontwikkeld. Een technische handleiding voor leerlingen is in
pdf-formaat beschikbaar via www.eigenwijzer.nl/vertellen
Tijd
De volledige uitvoering van het project vergt ruim een week.
Voor de laatste fase - het monteren van de filmpjes - moet men
rekenen op twee volle dagen werk. De school moet daarbij bereid
zijn het lesrooster te doorbreken en lessen te laten vallen.
Digitaal Vertellen is ideaal voor een projectweek. Een school
die niet aan een stuk door kan werken, moet rekening houden met
een tijdsbesteding van ruim twintig lesuren. Schooltv beveelt
scholen aan het project niet over al te veel weken uit te
smeren.
Menskracht
De inzet van personeel hangt af van het scenario dat de
school kiest om het project uit te voeren. Op dit moment werkt
TeleacNOT met projectmedewerkers die in scholen workshops geven
of leerkrachten ondersteuning geven.
Financiën
De ondersteuning die Teleac aan de school biedt, wordt
vooralsnog gefinancierd met eigen middelen. TeleacNOT werkt wel
aan een structurele oplossing voor de bemanning en facilitering
van Digitaal Vertellen.
Planning
Het project beslaat twee fasen van elk ongeveer tien lessen
en een evaluatiemoment. Er kan op gelijk welk moment in het
schooljaar mee gestart worden.
Resultaten
Het produceren van clips werkt goed bij leerlingen in heel
uiteenlopende settings (van een school voor voortgezet speciaal
onderwijs tot een gymnasium), maar het project blijkt vooral
goed te werken bij leerlingen die talige opdrachten normaliter
lastig vinden.
Leerlingen werken met plezier en inzet aan het project en
zijn erg enthousiast over de onorthodoxe werkwijze. Door hun
eigen inbreng in hun eigen product ervaren ze het project als
relevant: van consument worden ze nu zelf producent. De
zichtbare resultaten zijn de clips, van elke school wordt een
selectie op de website geplaatst.
Contactpersoon
Frank Van Dixhoorn
Schooltv, Stichting Teleac NOT
+31 35 629 37 72
frankd@teleacnot.nl
Bronnen
twee handleidingen van TeleacNOT: Digitaal Vertellen,
handleiding Nederlands, deel 1 en 2
de website van het project www.eigenwijzer.nl/vertellen
Woordverklaring
Een verklarende woordenlijst van Nederlandse en Vlaamse onderwijs termen vind je op http://taalunieversum.org/onderwijs/termen
Nieuwsarchief
2008: 7 | 6 | 5 | 4 | 3 | 2 | 1
2007: 12 | 11 | 10 | 9 | 8 | 7 | 6 | 5 | 4 | 3 | 2 | 1
2006: 12 | 11 | 10 | 9 | 8 | 7 | 6 | 5 | 4 | 3 | 2 | 1
2005: 12 | 11 | 10 | 9 | 8 | 7 | 6 | 5 | 4 | 3 | 2 | 1
2004: 12 | 11 | 10 | 9 | 8 | 7 | 6 | 5 | 4 | 3 | 2 | 1
2003: 12 | 11 | 10 | 9 | 8 | 7 | 6 | 5 | 4 | 3 | 2 | 1
2002: 12 | 11 | 10 | 9 | 8 | 7 | 6 | 5 | 4 | 3 | 2 | 1
2001: 12 | 11 | 10 | 9 | 8 | 6 | 5 | 4 | 3
2000: 10 | 7 | 6 | 5 | 4 | 3 | 2 | 1
Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties