taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » cultuur »

Gedichtendag 2007

Vandaag is het Gedichtendag, hét poëziefeest van Nederland en Vlaanderen. Daarom kunt u op deze pagina drie Surinaamse, een Vlaams en een Nederlands gedicht lezen.

De veertigste was haar meisje van negen

Zo zit zij haast
Gevouwen als een peul
Het licht mag haar gedachten niet verschroeien
In dit uur dat bestemd is
zou ze opstaan en de was binnen halen zonder te
struikelen over haar eigen stenen
bouwstenen waren het
voor een toekomst met meer wegen dan
zij ooit heeft bewandeld -

Op dit uur was haar stem
Hoorbaar als een klok: een lieflijk
Kwetteren van vogeltjes met blauwe vleugels
En witte borstveertjes
haar schat met een inbreng van fa-sol-la
en klaterende schaterlach
muziek was het
waar meer hoop in zat dan
zij ooit heeft gekend -

Een schooldag dertienuurdertig
Een klap waar geen eind aan komt
Ondanks de stilte die sindsdien is gevallen
Toen haar hoofd in miljarden vonken uiteen spatte
het bloed dat aan haar gelaat bleef kleven en
een traan in een ooghoek en een kindermond
open om te roepen: ik ben weer thuis
mijn mamaatje! Liever dan
zij ooit had gehoord -

Achttien jaren terug
Meiregen doorspoelt haar moederlijf en de witte was
En het asfalt dat nam wat het steeds
Teruggeeft:
een bestaan van negen doorweekt en
gesterkt door een opdracht hecht als een navelstreng
weggevaagd in een ogenblik van
onverschilligheid onuitsprekelijker dan
zij ooit kan herdenken -



Dingen die voorbij gaan

Dat is het
Een herinnering die beeld is geworden
Laat in de middag
Maar het lijkt sprekend op haar
De vrouw die verblijft buiten zijn bereik
Maar voortdurend bij hem is als een schaduw
Die niet vervaagt

Waarom lacht zij niet?

Hij loopt op haar af
Tasten helpt het onderscheid helder
Krijgen misschien
Zijn vingers glijden langs haar kin eerst
Dan langs haar linkerwang en haar voorhoofd
Zijn blik kan haar niet loslaten en niet vasthouden
Hij verliest weer want:

Waarom weet hij haar naam niet?

Zo heet ze!
Een naam die hem dagelijks bespringt
Zelfs in de slaap
Maar zij zou iemand anders kunnen zijn
Een andere dan het meisje dat hem ooit het vuur bracht
Van ver gekomen is om hem te begroeten
hier. Met een kus

Waarom kust zij hem niet?

Het is een grap
Nooit eerder heeft hij deze dame gezien
Zij is werkelijk geen bekende
Hij laat de tranen maar gaan tot ze zelf ophouden
Alles wat hem dierbaar is verlaat hem. Soms
Weet hij niet eens meer waar hij woont
Hij wendt zich af want:

Waarom spreekt zij niet?

'Ik houd van je'.
Alleen vogelgeluiden zijn tegenwoordig
Waarachtig. Hij vergist zich.
Geen keer kijkt hij nog om
Doornat is zijn gezicht en zwaar zijn voeten
Zijn hart bonkt in zijn keel omdat hij binnenhoudt:
'Blijf dan eeuwig bij me!'

Waarom gaat zij juist nu de schemer hem overvalt?



Stalen zenuwen

Spreek vooral niet uit wat
Ik jaren vermoed
Bied mij geen kopie van wat
Gegrift staat als een merkwaardig
Patroon in jouw sporen van
Hoe een verhouding
Verloopt

Trek het zwaard dat je lichaam
Geworden is langzaam uit
Jouw schede van leer
Grijp het ivoor vast
Geloof maar gerust
Dat je 'mooi beet'
Hebt

Blijf staan in spreidstand
Ik ben ontbloot
Noem mijn voornaam nog
Adem diep in en lang uit
Jij weet hoe goed een
Hart aan meer liefdes
Kan lijden

Wacht niet nog langer
Sla toe hier en nu
Je huilt?
Ween plaatsvervangend maar
Laat vooral het staal doorbloed raken
Ik tuimel. Het is reeds
Volbracht.


Astrid H. Roemer
Geschreven ter gelegenheid van de Gedichtendag 2007.
December 2006 Paramaribo-Suriname







Een grote stilte

De stilte zwelt uit de ingeslapen nacht
En zuigt ons gans en onweerstaanbaar binnen.
Een hoornstoot gilde alsof een wilde jacht,
losbarstend als een onweer, zou beginnen-

En toen niets meer: de ondragelike vracht
van tè veel jaren, 't koele en donkere linnen
van de eeuwge stilte op onze wankle wacht.
De vijand zal ons altijd overwinnen!

Wij kruisen de armen op onze enge borst,
zwelgend het duister met de dikke dorst
van wie om water kreunde eer hij verstomde.

En deze vracht, dit groot benauwen wordt
voorsmaak van het gebeente dat verdort
onder het marmer, in de rèchte tombe.


E. du Perron
Met dank aan uitgeverij Van Oorschot.








De zwijger

ze huren mij voor feesten en partijen
ter wille van mijn veelbesproken zwijgen
waarmee ik hen vermaken moet
als uitgelezen lekkernij.

ik word voortreffelijk vergoed,
gevierd, vereerd, gesavoereerd
voor elk uur stilte uit mijn mond.
en met een koele handschoen van glacé
mag een der fraaiste dames mij soms aaien,
genadeloos langs kin en wang.
mijn lijf blijft stil, een willoos lijk.

hùn mond staat open als een gulp.
ik ben hun kippekluif, hun pruim met spek,
hun bitterbal, de made in hun kaas:
de vulling voor een ziel die zich verveelt.
ik ben hun allerliefste tamme knecht,
begaafd met een voornaam gebrek.

en wordt het laat, dan moet ik hen verlaten.
dan ben ik moe van hun geschater.
ik neem een bad en spoel hen van mij af.

want ik wil niemand mee naar bed
en ik verzwijg dat ik besta,
zelfs bang om in mijzelf te praten, als stonk ik in mijn slaap nog uit hun bek.

Luuk Gruwez uit de bundel Bandeloze Gedichten
Met dank Arbeiderspers.








© Nederlandse Taalunie, 2000-2008 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties