taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Eerste conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 1 | Eerste conferentie Het Schoolvak Nederlands (1986)


Bijdrage: Longitudinaliteit en aandachtspunten (Hugo de Jonghe)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Hugo de Jonghe
109

staan, zodat men eigenlijk wel gedwongen is om in afwachting van meer onderzoek en betrouwbaarder uitkomsten toch maar wat te moeten doen. De onderwijspraxis kan maar moeilijk aan de kant gaan zitten tot de onderzoekers met het uitkammen van de processen klaar zijn.

Het ergste wat in zo'n geval kan gebeuren is dat opleiders, leerplanopstellers, schoolboekschrijvers en onderwijs verstrekkers zelf maar gaan doen alsof, lippendienst bewijzen aan het didaxologische model, dus wel het hele raamwerk ervan gebruiken maar daarin met een eerder losse hand aanbrengen wat hun op een bepaald moment maar wenselijk lijkt. Ik weet niet of daar in de Noordnederlandse praxis zoveel van te zien is, daarvoor ben ik immers teveel op de retoriek uit het Noorden aangewezen en beschik over onvoldoende middelen om direct met de praxis in contact te komen. Misschien is het wel zeer algemeen zo dat we maar weinig afweten van wat er precies achter de klasdeuren gebeurt. Misschien (wellicht? waarschijnlijk? omzeggens zeker?) vindt daar een hoop erg goed werk plaats, het is alleen maar zo dat we daaromtrent weinig meer kunnen kunnen formuleren dan wat vage vermoedens. Ook mijn zeer frequente contacten met het gebeuren van SO-klassen in het Zuiden staan me niet meer toe dan wat vrij impressionistische vaststellingen. Laat ik proberen om enkele daarvan op een rijtje te zetten, althans voor wat het werken binnen het d didaxologische model betreft. Het komt mij voor dat deze drie types overheersen:

1 De leraar of lerares stoort zich er niet aan.

2 Er wordt een didaxologisch schijntje opgehouden.

3 Er heeft reductionisme plaats.

Punten' 1 en 2 vergen nauwelijks verdere uitleg. Punt twee kan eventueel met een aantal kruidige citaten geadstrueerd worden, maar dat wekt gauw de indruk dat leraren zich er maar wat van af maken en dat is beslist niet zo. We kunnen beter aannemen dat de meesten echt proberen om er wat van te maken, gewoon omdat het didaxologische model hen met teveel druk van buitenaf is opgedrongen. Zulke leraren geven dan Vaak echt zinvol werk te zien, maar slagen er niet in om dat didaxologisch in te kleden. Op de keper beschouwd hoeft én kan dat ook niet. Misschien voorlopig niet, omdat we voor een echte didactische analyse nog niet voldoende weten, maar dan toch in elk geval nu niet.

Reductionisme is natuurlijk wel het ergste wat je kunt aantreffen: het onderwijs/leerproces wordt dan herleid tot datgenen wat binnen het didaxologische plaatje past. Niet alles wat in de klas voortgang heeft of moet

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties