Doorzoek alle bundels


Bundel 1 | Eerste conferentie Het Schoolvak Nederlands (1986)

Bijdrage: 'Geknipt voor u' en taalbeschouwing (Peter Nieuwenhuijsen)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Het Schoolvak

NEDERLANDS
164

Nederlandse letteren 'kunnen rekenen, die zo'n houding aan de dag legt. Hij is te vergelijken met de dichter, wie het iets uitmaakt of je citeert; "Ik ween •om bloemen   dan wel "Ik ween om rozen ..."

Ik beschouw mijzelf als taalkundige, maar pleit voor dezelfde attitude van belangstelling voor het medium waarin wij onze bedoelingen verpakken, mede om ervoor te zorgen dat die bedoeling goed wordt begrepen. Met opzet zoek ik hier toenadering tot de meer letterkundig georiënteerde neerlandici, op ën conferentie waar één der leidende voordrachten -die van Frank Jansen- ons een basisvorming Nederlands voorschotelt waarin geen plaats is voor taal- en letterkunde. Ik ben het in hoofdzaak overigens met Jansen eens. Laten we ons in de basisvorming concentreren op de optimalisering van het taalgebruik. Wat ik daarbij wil beklemtonen, en ik hoop in dat opzicht liefhebbers der schone letteren aan mijn. zijde te zullen vinden, is dat er voor die optimalisering een belangstelling moet worden ontwikkeld, zoals die waarvan Freek de Jonge blijk gaf. Wat ik in mijn boekje over taalbeschouwing, nu acht jaar oud, heb geprobeerd, was een weg te vinden naar een vorm waarin dat kan: het ontwikkelen van zo'n belangstelling. Een vorm van taalbeschouwing met een dergelijke doelstelling lijkt mij van essentiële waarde, juist als je je in de basisvorming concentreert op een 'smalle vorm van taalbeheersing'. Dat daarnaast een taalbeschouwing 'om zichzelfs wille' geen element van basisvorming kan zijn, is iets waar ik begrip voor heb., gegeven het feit dat zo'n taalbeschouwing zou moeten worden ondergebracht bij het vak Nederlands. Het sluit niet uit dat ik 'meer weten over het verschijnsel taal' een hogere prioriteit zou verlenen dan het: nu heeft. Buiten cie basisvorming .om zou dit element van het. vak Nederlands dan ook, naar mijn mening, een stevige opwaardering behoeven.

Het Nederlands geniet in Nederland niet het allerhoogst mogelijke aanzien.

Zo begint ook het interview in de Levende Talen die gisteren bij mij in de bus rolde ( Levende Talen, september '86, p.445). Daarmee samenhangend is er weinig belangstelling voor het verschijnsel taal in het algemeen. Nederlanders nemen zelfs een extreme positie in als het gaat om het hechten aan de eigen taal. De taalgemeenschap wordt klein tot zeer klein genoemd; het aantal sprekers wordt daarbij steevast op 15 miljoen geraamd, hetgeen overigens geen klein getal is, maar in werkelijkheid is de Nederlandse taalgemeenschap natuurlijk nog enkele miljoenen groter. Nederlandse emigranten zijn het meest ontrouw aan de eigen taal, zo bleek bij onderzoek in Australië. Het is normaal dat een Nederlandse emigrant zijn kinderen het Engels als moedertaal leert, terwijl