Doorzoek alle bundels


Bundel 1 | Eerste conferentie Het Schoolvak Nederlands (1986)

Bijdrage: Drama in het moedertaalonderwijs: een verheldering vanuit de geschiedenis (Jacques de Vroomen)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Het Schoolvak

NEDERLANDS
256

die men niet zo gemeenlijk aantreft in de taal van de dagelijkse omgang. (...) Zo levert de declamatie een contact op en we hebben gezien een zeer innig contact, met een hogere taallaag, zelfs met de cultuurtaal, hetgeen van grote invloed is op de vorming van het persoonlijk taalbezit van het schoolkind." (p.165).

"Van de declamatie naar het toneelspel, het is maar een enkele stap." (p.165).

"Wanneer de school het niet meer als haar voornaamste taak beschouwt het verstand, maar daarnaast ook de wil en het gemoed te ontwikkelen, wanneer men niet meer uitsluitend het jonge mens als individu, maar als lid van een gemeenschap wil opleiden, dan zal het toneel als opvoedingsmiddel een voorname plaats gaan innemen." (p.165f).

"Is het toneel niet een gemeenschappelijke taaltaak, naast de individuele van de declamatie? Wat houdt er ons van terug het toneel op het taalprogram te zetten, waar wij er toch al langer hoe meer van overtuigd raken, dat de vorming van de jeugd in gemeenschappelijke activiteit een verwaarloosde zaak is, die niettemin van het allergrootste belang moet worden geacht?" (p.167).

In publikaties op het terrein van de moedertaaldidactiek worden de onderwerpen voordracht' en 'toneel' vaak in nauwe samenhang met elkaar aan de orde gesteld. Ze worden dikwijls in één paragraaf behandeld. Dat is ook hel geval. bij Van Nispen. Van Nispen wijst ook •zelf op een nauwe relatie van de twee als hij schrijft: "Van de declamatie naar het toneelspel, het is maar een enkele stap." (Van Nispen 1946, p.165). Als we echter kijken naar de doelen van declamatie en toneelspel bij Van Nispen dan blijken de activiteiten niet in elkaars verlengde te liggen. Declameren wordt aanbevolen als een middel om kinderen van de lagere school -de studie van Van Nispen gaat over taaldidactiek op de lagere school- te confronteren met taaluitingen van het allerhoogste niveau. Deze 'hoogst verzorgde taal' staat tegenover 'de taal van de dagelijkse omgang'. De 'hogere taallaag' is een equivalent van 'cultuurtaal'.

Ik chargeer niets als ik concludeer dat Van Nispen hier een aristocratische literaire vorming, eeuwenlang het alleenrecht van een zeer smalle maatschappelijke bovenlaag, i.c. de adel, tot leerdoel maakt: van de Tilburgse jeugd van 1946, voor 80% arbeiderskinderen.

Ik wil met deze conclusie de visie van Van Nispen niet ridiculiseren. Het gaat hier niet om een waarde-oordeel. Ik wil alleen maar illustreren hoe krachtig de geschiedenis doorwerkt en door blijft werken, ook in het denken over taalr-