Doorzoek alle bundels


Bundel 1 | Eerste conferentie Het Schoolvak Nederlands (1986)

Bijdrage: Haalt de Taaltuin de jaren negentig? (Paula Bosch & Alijn van Hoorn)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Paula Bosch en Alijn van Hoorn 39

lopende programma dat ze krijgen aangeboden; het beslaat 5 weken, Ik zal de inhoud van het programma kort proberen weer te geven en gaandeweg iets vertellen over de, manier waarop gewerkt wordt.

Aan het begin van de meeste lessen ontvangen de leerlingen een stencil met daarop de opdracht, vaak daarbij nog illustratief materiaal: een verhaal, een gedicht of zakelijke tekst. Die stencils zijn gemaakt op kleine multoblaadjes en moeten in de multo-map van de leerling worden bewaard, samen met de uitwerking. De mappen-contrôle die af en toe plaats vindt, telt mee bij de beoordeling van het werk over een bepaalde periode.

Het eerste blokuur dat we, na de kennismaking, met het thema dieren aan de gang gingen, Verzamelden we zoals gebruikelijk in één van de kleine lokaaltjes naast de taaltuin. Ik gaf een korte inleiding op het thema, we hielden een kort kringgesprek (wie heeft er dieren, wat voor dieren, hoeveel etc.). Ik las een kort verhaal voor over een huisdier: Mikkie van Maarten Biesheuvel. Het lezen van een verhaal aan het begin van een blokuur doen we vaak in de onderbouw: het geeft een zekere rust aan het begin van een les, brengt de kinderen bij het thema van de les en geeft ideeën voor de te maken opdracht. Terug naar het eerste blokuur dieren. Na het lezen van het verhaal kregen de kinderen de opdracht en werd deze besproken. Er moest geschreven worden. De keuze was uit vijf mogelijkheden:

1 Wat doe je met je huisdier tijdens je vakantie? (Dit zou een vrij zakelijke tekst kunnen worden).

2 Maak een verhaal over je lievelingsdier.

3 Beschrijf het gedrag van je huisdier.

4 Beschrijf vanuit je huisdier de grote vakantie.

5 Beschrijf jezelf door de ogen van je huisdier.

De laatste twee boden de mogelijkheid om vanuit een ongewoon perspectief te schrijven, iets wat in de brugklas al geoefend is. Algemene eisen: het verhaal moet twee multo-kantjes lang zijn (over de lengte is altijd veel discussie), het moet er verzorgd uit zien, denk aan de kantlijn, hoofdletters en spelling. Na het bespreken van de opdracht verliet de klas het instructie-lokaal en zocht iedereen een plaatsje in de taaltuin. In de onderbouw zijn er meestal parallel-klassen in de taaltuin samengeroosterd, die dan ook dezelfde opdracht maken. Vroeger waren dat er meestal drie, zodat er drie docenten beschikbaar waren voor 60 á 70 leerlingen; nu de klassen meer dan 30 leerlingen tellen, passen er niet meer dan twee klassen in de ruimte, wat dus betekent dat er nu