taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Eerste conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 1 | Eerste conferentie Het Schoolvak Nederlands (1986)


Bijdrage: Proeve van een leescursus voor het voorgezet onderwijs (Wim van Calcar)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Het Schoolvak

NEDERLANDS
46

graaf geef ik daarvan een voorbeeld aan de hand van deze begrippen. Daarom behandel ik kort de overige.

2 Het stramien

Voor elk deelaspect wordt eerst heel in het algemeen het doel geformuleerd. Vervolgens krijgen de leerlingen een beschrijving van het begrip dat zij zich eigen moeten maken, dus enige leerstof (theorie). Daarna volgt een opsomming van hun leeractiviteiten (de middelen). Tot slot wordt het resultaat vermeld dat de leerlingen moeten bereiken. -Het volgende voorbeeld zal volstaan voor een indruk van deze werkwijze.

Handelen

Doelleerlingen weten dat handelen doelbewust is; iemand wil iets, streeft iets na. Zij weten ook dat elke tekst een handeling is.

Theorie: Ina zegt: "Ik ben om 8 uur thuis." of vraagt: "Kijk jij vanavond ook?" In beide gevallen doet zij wat. Natuurlijk, ze praat, maar ze doet méér dan dat. Ze deelt ook iets mee, resp. vraagt iets. Ze kan al pratend ook klagen: "Krijg ik alweer een onvoldoende" of schelden:"Rotzak!" of beschuldigen: "Zij heeft me gepest!". Wat voor zinnen geldt, geldt voor hele teksten evenzeer. Wie een tekst leest, wordt vermaakt, geïnformeerd, aangezet om iets te kopen, een mening opgedrongen. Dat doet de tekst of wie de tekst gemaakt heeft. En dat gebeurt door allerlei kleine handelingen: mededelingen, vragen, waarschuwingen, nieuwsgierig maken, bevelen, opdragen, verzoeken.

Middelen:

  1. Leerlingen inventariseren allerlei gebeurtenissen in de klas, zoals vingers opsteken, iets op het bord schrijven, gapen, béééé-geluiden maken wanneer een proefwerk wordt opgegeven, met je voet wippen, spiekbriefjes gebruiken, met je pen spelen, je haar in krulletjes draaien. Zij bespreken de verschillen. De leraar geeft als onderscheid: je hebt gedrag (zo maar wat doen) en handelen (bedoeld).

  2. Leerlingen bekijken kleine teksten zoals Achterwerk uit de VPRO-gids vanuit de vraagstelling: wat wil de schrijver? Wordt alles zomaar gezegd of is het doelbewust? Antwoorden kunnen zijn: iemand wil een mening geven, een nieuwtje vertellen, een grapje maken. Als algemeen antwoord kan voorlopig dienen: iemand wil dat we iets weten.

  3. Teerlingen krijgen de opdracht iets te zeggen. Anderen moeten vaststellen,

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties