taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Eerste conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 1 | Eerste conferentie Het Schoolvak Nederlands (1986)


Bijdrage: Proeve van een leescursus voor het voorgezet onderwijs (Wim van Calcar)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Het Schoolvak

NEDERLANDS
48

te pakken of iemand met woorden beledigen in plaats van hem letterlijk uit te lachen). Als resultaat gaan zij voortaan in elke tekst na, welke verbale handelingen expliciet genoemd worden: zij zei, ze merkte op, ze vertelde, ze waarschuwde. Eveneens duiden ze met één verbale handeling, hoe simpel ook, aan, wat de schrijver van de tekst doet: hij vertelt, geeft nieuws, praat over...

  1. Leerlingen buigen zich over de handeling communiceren. Deze heeft verschillende vormen: verbale (spreken, schrijven, luisteren, lezen) en materiële (gebaren of uitbeelden, waarnemen). Deze hebben elk hun eigen voor- en nadelen, hun eigen duidelijkheid, dus hun eigen geschiktheid voor deze of gene situatie, voor dit of dat doel (theorie). Doel is, dat zij taalgebruik zien als een vorm van communicatie met eigen mogelijkheden en eigen beperkingen. Middelen hiervoor zijn: Leerlingen krijgen opdracht over bepaalde zaken te communiceren; zij verantwoorden de keuze van de vorm. Voorbeelden van zo'n opdracht zijn: reconstructie van een ongeluk, uitdrukken van blijdschap, gebruiksaanwijzing voor een apparaat geven, om stilte manen. Als resultaat gaan zij voortaan bij een tekst na waarom de communicatie talig is.

  2. Van de gegeven vormen krijgt vervolgens de schriftelijke communicatie nadruk in onderscheid met de mondelinge. Er zijn situaties waar de ene vorm de voorkeur verdient boven de andere. Men kan denken aan een leesboek, leertekst, een brief uit een andere stad. Bij mondeling taalgebruik heb je behalve de tekst zelf, ook de spreker met zijn gebaren, mimiek en intonatie, die de tekst kunnen verduidelijken of tegenspreken(ironie). Context en situatie zijn in het algemeen bekend. Begrijpt men bepaalde zaken niet, dan kan men er meteen naar vragen. Bij schriftelijk taalgebruik heeft men enkel de tekst. Dat stelt eisen aan de schrijver w.b. duidelijkheid, maar ook aan de lezer: hij moet de tekst laten 'spreken', achterhalen wat voor iemand de schrijver is, voor wie en wanneer de tekst geschreven is; en hij moet op vragen die rijzen, proberen zelf antwoord te vinden (theorie). Doel: leerlingen weten, dat schriftelijk taalgebruik bepaalde eisen stelt en kunnen er enige opnoemen. Middelen: leerlingen krijgen situaties voorgelegd waarin zij iemand verbaal een bericht moeten doorgeven. Opdracht: welke manieren heb je ervoor en wat zijn de voor-en nadelen ervan? Oplossingen: telefoon, schrift, aanspreken. Of ze lezen tekstjes en gaan na of ze vragen hebben en welke dan. Mogelijke reacties: vragen over moeilijke woorden, om nadere informatie, vragen over de schrijver. Resultaat: de leerlingen stellen vast waarom de tekst geschreven en niet gesproken is, dus waarom zij zich moeten begeven in een schriftelijke taalge-

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties