taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Eerste conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 1 | Eerste conferentie Het Schoolvak Nederlands (1986)


Bijdrage: Proeve van een leescursus voor het voorgezet onderwijs (Wim van Calcar)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Wim van Calcar
49

bruiksssituatie. Zij proberen. zich via de tekst voor te stellen of via informatie te achterhalen. wat voor iemand de schrijver is (geslacht, leeftijd, beroep, belangstelling, deskundige of persoonlijke mening) en wanneer de tekst geschreven is (nu, een tijdje geleden, vroeger). Zij noteren vragen die bij hen rijzen.

  1.  In vervolg hierop worden bepaalde punten nader uitgewerkt, zoals toon, gebaar en mimiek tegenover interpunctie, accenttekens, spanningspuntjes en lay-out (theorie). Doel: verdieping van het al eerder aangebrachte onderscheid. Middelen: zij luisteren naar een t.v.-tekst en noteren gegevens over gebaren, houding, mimiek en persoon van de sprekers op basis van wat zij horen, Daarna krijgen zij het beeld erbij. Zij vergelijken voorgestelde en getoonde werkelijkheid. Of zij vertellen iets wat op de band wordt opgenomen. Daarna moe ten ze het verhaal opschrijven. Zijn er verschillen? Welke en met welk effect? Resultaat: leerlingen gaan voortaan na welke aanwijzingen de lay-out geeft voor de opbouw van de tekst; of er tekens in staan als 'vervanging' voor de toon; of de lezer aangesproken wordt; of de schrijver aanwezig is.

  2.  Leerlingen houden zich in het verlengde van het voorafgaande onderwerp bezig met emoties. Mensen leggen gevoelens in wat ze zegggen of schrijven en roepen gevoelens op. Ook geen gevoel ( neutraliteit) is een gevoel (theorie) Doel: leerlingen worden zich bewust van de gevoelens die in een tekst tot uitdrukking komen of door een tekst opgewekt kunnen worden. .Middelen: eenzelfde mededeling wordt verschillend geuit, van neutraal tot ontzettend boos of heel blij. Leerlingen schrijven teksten die één gevoel heel duidelijk uitdrukken. Resultaat: leerlingen gaan bij, een gegeven tekst na, of deze een gevoel bij hen oproept: boosheid, vreugde, afkeer, tevredenheid.

  3.  Op dit punt gekomen leren zij omgaan met het onderscheid tussen zakelijke en niet-zakelijke teksten. Als scheidslijn kan het antwoord op de vraag dienen, of het gaat om werkelijk gebeurde zaken of niet (theorie).Doel is, dat leerlingen het kenmerkende van non-fictie kennen. Middelen: zij leren antwoord geven op de volgende vragen: (a) gaat de tekst over personen en zaken die echt bestaan hebben? Zo ja, welke? (b) Kom ik er iets(meer)over te weten? (c) Is wat er over verteld wordt op waarheid controleerbaar? Dus kan ik navraag doen? Hoe? Het resultaat moet zijn, dat een leerling voortaan uit zichzelf voor elke tekst noteert of ze zakelijk is of niet. En, indien het een zakelijke tekst betreft, wat hij te weten is gekomen.

N.b.: Binnen fictie kan men weer onderscheiden tussen meer of minder zakelijk;

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties