taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Eerste conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 1 | Eerste conferentie Het Schoolvak Nederlands (1986)


Bijdrage: Proeve van een leescursus voor het voorgezet onderwijs (Wim van Calcar)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Het Schoolvak

NEDERLANDS

.50

dit in verband met fictionele teksten die veel controleerbaar juiste informatie bevatten. Deze nuanceringen laat ik hier verder rusten.

  1. Zakelijke teksten worden vervolgens verdeeld in drie hoofdgroepen, naargelang hun doel. Deze groepen kunnen als voorlopige benaming meekrijgen: inlichtingen (de schrijver wil dat de lezer iets weet), oproepen of overtuigen (de schrijver wil dat de lezer iets doet of vindt), gevoel (de schrijver streeft bij de lezer emoties na, zoals plezier). Teksten kunnen onder meer dan één groep vallen (theorie). Doel: Leerlingen nemen verschillen tussen zakelijke teksten waar. Middel: de begrippen worden zeer kort toegelicht. Daarna geven de leerlingen intuïtief, op grond van hun ervaringen, een nadere invulling. Vervolgens groeperen zij met redenen omkleed teksten onder de drie noemers. Tenslotte schrijven zij zelf eeen aantal teksten die in de verschillende groepen thuishoren. Rubricering in meer dan één groep is toegestaan. Resultaat: leerlingen plaatsen elke tekst die zij onder ogen krijgen in een of meerdere van de drie groepen. Als volgende stap krijgen de leerlingen expliciete kennis van de verschillen tussen de drie, aan de hand van de hierna genoemde punten.

  2. Doel & middel. Het doel van een tekst is herkenbaar aan bepaalde middelen. Gaat het om inlichtingen, dan zal de tekst vooral bevatten: mededelingen en vragen. Je hoort wat je nog niet weet over de wereld. Gaat het om oproepen of overtuigen, dan kun je handelingen verwachten als: aanprijzen, goedkeuren, afkeuren. Gaat het om gevoel, dan zul je horen wat iemand voelt bij personen of zaken, wat in hem leeft (theorie). Doel: leerlingen leren hun uitspraken over het doel te verantwoorden. Ze herkennen de handelingen waaruit een tekst is opgebouwd. Middel: zij stellen zich dé vraag: wat doet de schrijver in deze regels, deze alinea of dit gedeelte? Licht ze in, roept ze op, spreekt ze haar gevoelens uit? Maar ook: prijst ze aan, motiveert ze, geeft ze een voorbeeld, verzoekt ze, deelt ze mee, protesteert ze, beschrijft ze, beschuldigt ze? enz. Resultaat: leerlingen stellen voortaan vast om wat voor soort tekst het gaat en welke argumenten zij daarvoor hebben.

Daarna kunnen zij zich(voorlopig)toespitsen op het onderscheid tussen verslag en opinie, als twee voorbeelden van inlichtingen geven. Voor dat doel maken zij kennis met de volgende begrippen. In de beschrijving beperk ik me nu bijna uitsluitend tot formulering van het doel en van het resultaat.

  1. Subjectiviteit, impliciet. Leerlingen weten dat een en dezelfde zaak nogal verschillend benoemd kan worden: iemand kletst, wauwelt, zeurt; de man, een

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties