taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Eerste conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 1 | Eerste conferentie Het Schoolvak Nederlands (1986)


Bijdrage: Proeve van een leescursus voor het voorgezet onderwijs (Wim van Calcar)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Wim van Calcar
51

president, een voorvechter van de vrijheid, een doorzetter. Zij weten ook, dat verschillende mensen verschillende namen aan dezelfde persoon of zaak kunnen geven: de ster van het veld, de prutser, een aardige speler, onze middenvelder die een slechte dag had. Resultaat moet zijn dat ze aan het woordgebruik de mening, c.q, waardering van de schrijver kunnen vaststellen, met name of hij negatief dan wel positief is of neutraal.

.(10) Subjectiviteit, expliciet. Zij leren dat een schrijver al dan niet expliciete aanwijzingen geeft , dat het gaat om zijn mening. In geval dat een schrijver dat niet doet, kan de lezer ze vaak zelf invullen: ik vind, volgens mij, aldus, denk ik; het is goed, het is fout. Als resultaat noteren leerlingen voortaan welke uitgesproken aanwijzingen zij krijgen over de subjectiviteit van de schrijver; vervolgens of zij zelf zulke aanwijzingen kunnen invoegen.

  1. Opinie en verslag. Leerlingen leren dat verslag en opinie twee soorten inlichtingenzijn, elk met hun eigen kenmerken. Voor verslag kunnen als trefwoorden dienen: feitelijk, neutraal, onpersoonlijk; voor opinie: subjectief, mening, positief of negatief, persoonlijk. Voor dat doel rubriceren zij allerlei lectuur: reclameblad, schoolkrant, dagblad, verhaal, gedicht, strip, reis gids. Zij gaan na, welke verschillen bepalend zijn, of iets een mening geeft of een verslag is. Zij kunnen ook een of meer kranten op de inhoud .onderzoeken: nieuws, weer, commentaar, column, cartoon, familiebericht, Zij verdelen deze over de twee soorten inlichtingen en gaan opnieuw na, welke verschillen voor deze bepalend zijn. Het resultaat moet zijn dat zij bij. de tekstsoort inlich- tingen voortaan aangeven of er sprake is van een verslag dan wel van een opinie. Ter ondersteuning van hun antwoord wijzen ze voor een opinie op negatieve of positieve woorden en op zinswendingen als 'ik denk'.

  2. Ter verdieping van het verschil tussen verslag en opinie leren zij het onderscheid tussen de twee taalhandelingen .beweren en. oordelen. Een bewering of feitenuitspraak: wat iemand zegt is in beginsel op waarheid te controleren. Eenoordeel: wat iemand zegt, is een kwestie van smaak, van waardering, in welk geval. men het eens of oneens is. Controlemiddelen voor de waarheid van iets: gaan kijken, de krant van de vorige dag, opbellen, vragen, onderzoeken, woordenboeken, encyclopedieen, geschiedenisboeken. Als maat voor een oordeel dienen woorden, waaruit af- dan wel goedkeuring .blijkt:. waarderende woorden. Resultaat moet zijn, dat de leerlingen in een opinie een aantal oordelen kunnen aanwijzén als bewijs.

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties