Doorzoek alle bundels


Bundel 1 | Eerste conferentie Het Schoolvak Nederlands (1986)

Bijdrage: Proeve van een leescursus voor het voorgezet onderwijs (Wim van Calcar)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Het Schoolvak

NEDERLANDS
52

  1. Zij leren de twee taalhandelingen beweren en oordelen nader benoemen voor het onderscheid tussen enerzijds verslag of opinie en anderzijds een betoo3 als voorbeeld van de tekstsoort oproep. Met name leren zij de taalhandelingen onderscheiden die kenmerkend zijn voor een betoog: bewijzen, 'verklaren, redenen noemen, voorbeelden geven, vergelijkingen maken, maar ook: oproepen, aanbevelen, verzoeken, waarschuwen, beschuldigen. Resultaat moet zijn, dat ze in een tekst die ze betogend noemen, vaststellen of er sprake is van een van de genoemde taalhandelingen.

Nadat op deze wijze de taalhandeling diepgaand besproken is, kan men terugkeren naar meer algemene handeling, zoals: ze is maatschappelijk en persoonlijk bepaald, aangepast aan de situatie, opgebouwd uit samenhangende delen en ze heeft een context.

  1. Maatschappelijk en persoonlijk bepaald. Leerlingen moeten weten dat taal- gebruik afhankelijk is van de betrokkenen. Voor dat doel worden zij geconfronteerd met situaties, waaruit blijkt dat het taalgebruik van en Vóór mensen nogal wat kan verschillen: praatprogramma's van de radio, optredens voor de televisie, aankondigingen, ingezonden brieven, vaktalen e.d. De verschillen die relevant zijn, betreffen: de aan-spreking, het onderwerp van gesprek, de woordkeus en de zinsbouw. Het resultaat moet zijn dat de leerlingen vaststellen of de schrijver zich presenteert als een bekende (gelet op de aanspreking), als een deskundige (met naam en toenaam), als jeugdige of volwassene (woordkeus, gespreksonderwerp).

  2. Aangepast aan de situatie. Leerlingen weten dat een tekst voor iemand geschreven is, zodat niet elke tekst voor iemand geschikt is. Om vast te stellen of de tekst aan hun is aangepast, leren zij als maat te gebruiken: de woordkeus, bouw en lengte van de zinnen, het onderwerp van gesprek (sluit het aan?). In dat verband kan apart ingegaan worden op 'het moeilijke woord', zoals het volgende punt dat doet.

(15.1) Het woordgebruik. Leerlingen weten dat zij onbekende woorden kunnen tegenkomen waarvan zij de betekenis kunnen achterhalen. Middelen daartoe zijn: afgaan op de context, betekenisanalyse van neologismen, samenstellingen en afleidingen; het woordenboek. Het resultaat moet zijn, dat zij in een tekst nagaan, welke woorden zij niet kennen, maar voor een goed begrip wel nodig hebben. Zij gaan na wat ze kunnen betekenen, zo nodig gebruiken zij een woordenboek.