taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Eerste conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 1 | Eerste conferentie Het Schoolvak Nederlands (1986)


Bijdrage: Over alfabetiseringskursussen en het voortgezet onderwijs: schijnbare uitersten raken elkaar (Marleen Claessens)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Marleen Claessens
57

worden,   en schrijfgroepen opgezet in het hele land (evenals in België overigens) met behulp van een bescheiden subsidie van geschrokken Rijk en Gemeentes. Pas dan ook vindt de serieuze confrontatie plaats met deze onverwachte feniks; geen één analfabeet is dezelfde en het zijn zowaar mensen zoals u en ik. Dit ook tot verbazing van de cursisten zelf: "Ik wist niet dat er nog zoveel waren; ik dacht altijd dat ik de enige was", zeggen veel cursisten. Geen horentjes dus, geen bokkenpoten, maar wèl hersens.; afgedaan als rudimentair ontwikkelden deze zich tijdens de cursus in redelijk tot razend tempo. Er begon bij de cursisten iets te dagen: je wordt niet als analfabeet geboren, je wordt analfabeet gemaakt...

Naar aanleg en tempo

De bekendste voorbeelden van analfabeten zijn de woonwagenbewoners en de schipperskinderen. Voor hun analfabetisme is een duidelijke oorzaak aan te geven: zij gingen niet of nauwelijks naar school. Dit geldt ook voor kinderen die langdurig ziek zijn geweest, al vroeg thuis werden gehouden om in het gezin te helpen of moesten werken om in het onderhoud te voorzien. Ook de oorlog is een bekende oorzaak. Het overgrote deel van de mensen die naar een lees- en schrijfgroep komen, heeft wel regelmatig onderwijs 'genoten'. Daaronder zijn mensen met een onderdrukte linkshandigheid, oog- en oorletsel en een gestoorde motoriek.

Kijk je alleen naar de symptomen die iemand heeft, dan kun je er nog een rijtje aan toevoegen: mensen met een volgens de normen lage intelligentie, die alsmaar bleven zitten en mensen met een neurotische aanleg. Kijk je echter niet zozeer naar karaktertrekken of gedrag, maar naar overeenkomsten tussen de verschillende cursisten, dan ontdek je twee belangrijke constanten in hun leven: zij komen bijna altijd uit de sociaal-economisch lagere klassen (kinderen uit arbeidersgezinnen, gezinnen van werkelozen en van WAO-ers), én ze hebben zeer slechte ervaringen met het instituut school. Deze twee factoren, het milieu waaruit de kinderen komen en de school waar ze naartoe moeten, stoten elkaar af en zijn juist daardoor de grootste oorzaak van analfabetisme.

Drie grote struikelblokken binnen het regulier onderwijs zijn het tempo, de taal en de inhoud van de lessen. Hoewel kinderen uit hogere milieus hier ook belemmerd door kunnen worden, komen deze in het algemeen minder gehavend, dat wil zeggen met betere schoolresultaten (let op de nadruk) van school dan arbeiderskinderen, juist doordat hun milieu beter aansluit op dat van school.

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties