taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Eerste conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 1 | Eerste conferentie Het Schoolvak Nederlands (1986)


Bijdrage: Over alfabetiseringskursussen en het voortgezet onderwijs: schijnbare uitersten raken elkaar (Marleen Claessens)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Het Schoolvak

NEDERLANDS
58

Al aan het begin van de basisschool moeten kinderen veel leren. Dat is een vreemde eis, omdat de geestelijke ontwikkeling op die leeftijd nog erg kan verschillen per kind. Op de kleuterschool wordt er nog gespeeld, in de eerste klas moet er flink geleerd worden. "We vragen kinderen het grootste gedeelte van de dag datgene te doen, wat maar een paar volwassenen nauwelijks een uur vol kunnen houden. Hoeveel van ons kunnen, bijvoorbeeld als ze een lezing bijwonen die hen niet interesseert, voorkomen dat hun gedachten afdwalen? Bijna niemand. Ik niet in ieder geval." (Holt in Van Caspel 1983).

Voor kinderen die snel afgeleid zijn of langzaam zijn, begint in de eerste klas al de ellende. Voordat ze het weten zijn ze achter. "Als het vroeger effe niet ging, dan was het over. Die mensen hadden natuurlijk ontzettend grote klassen. Ze konden er volgens mij te weinig aandacht aan besteden. Het was produktie, hè? Ze moesten dóór. Er stonden weer anderen te dringen natuurlijk." (Een cursist in Van Caspel 1983, p.43). "Ik blijf gewoon volhouden dat ze - ik weet niet of ze daar nóu aandacht aan besteden -, maar het moet allemaal zo vlug afgerost worden. En als je dan niet mee kon komen, dan viel je er al buiten. Je was stom of je had wat. -Maar je had niks." (ibidem, p.48). "Dit strakke leerschema heeft tevens een selectiefunctie:

je vastgestelde basisstof moet in een vastgestelde tijd afgewerkt en verwerkt. worden." (ibidem, p.40).

Ik zat in de zestiger jaren op de lagere school, die op de rand van de Piesewiet stond, een achterbuurt in Doetinchem. Detje was een paar jaar ouder dan ik en zat de eerste dag van mijn derde klas ineens achter mij. Nooit overgegaan. Ze was veel te lang voor haar bankje. Detje was dom en ze stonk. Niemand wilde naast haar zitten. Detje was op haar tiende al afgeschreven. Je merkte niet veel van haar, maar bij één spelletje daar deed ze mee: voorlezen, net zolang tot je een fout maakte. Detje was een geducht tegenstandster, en ze won. Ze las feilloos voor, terwijl ze alleen Achterhoeks sprak en vrijgesteld was van serieuze schoolzaken. Maar Detje bleef dom, want het was maar een spelletje.

Achter in de klas gezet worden of de planten mogen water geven: dat waren (zijn?) de voorkeursbehandelingen voor de hopeloze gevallen. Is er door het vastgelegde tempo geen kans om trager (of sneller) te gaan dan de andere kinderen, ook de inhoud van de lessen en de gehanteerde taal in de klas ligt vast. Voor het taalonderwijs geldt in het algemeen dat de geleerde taal en de wereld waar de teksten en de handelingen naar verwijzen, die van de hogere

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties