taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Eerste conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 1 | Eerste conferentie Het Schoolvak Nederlands (1986)


Bijdrage: Ieder leert op zijn eigen manier; over verschillen in leerstijlen (Lies Fonderie)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Het Schoolvak

NEDERLANDS
72

b. De oefen-aanpak. De docent biedt (allerlei) losse oefeningen aan die met het onderwerp in verband staan. Direct daarna wordt het onderwerp op een meer open wijze aan de orde gesteld en in verband gebracht met het eigen leven en de maatschappij, waardoor de betrokkenheid groter wordt. De ervaringen hiermee worden besproken en in een meer abstract kader geplaatst. C. De reflectie-aanpak. De docent laat de leerlingen een bepaalde situatie meemaken of bekijken. De ervaringen worden besproken en geordend. De docent verbindt formele kennis met de ervaringen. Tenslotte wordt de stof verwerkt aan de hand van opdrachten.

d. De zelfstudie-opdracht. De docent biedt de leerlingen materiaal aan, waarin ze wat rondsnuffelen en waarover ze zich een mening vormen. Samen met de leerlingen haalt de docent daar de kernpunten uit ( =de formele kennis). Aan de hand van opdrachten wordt er met die kennis geoefend. Tenslotte maken de leerlingen een meer levensechte situatie mee, waarin het verworven inzicht en het onderwerp centraal staan.

Een misverstand dat nu wellicht kan ontstaan, is, dat je de lessen zo zou

moeten inrichten, dat iedere leerling steeds volgens eigen leerstijl kan werken. Wat lesorganisatie en werkbelasting voor de docent betreft, is dat natuurlijk onmogelijk. En behalve dat: het is ook niet noodzakelijk. Als onderwijs tenminste betekent dat er nieuwe ervaringen moeten worden opgedaan. Leerlingen zullen, zo kennismaken met een andere manier van werken dan ze vanuit zichzelf misschien gewend zijn. Ze kunnen elkaar bovendien helpen en ontdekken dat er ook wat dit betreft verschillen zijn tussen mensen. Wél noodzakelijk is, dat wij bewuster omgaan met die verschillende aanpakken; dat we meer oog krijgen voor problemen van leerlingen die moeite hebben met een bepaalde manier van werken; dat we kritischer kijken naar onze eigen manier van lesgeven; dat we het instapmoment afwisselen, zodat we niet steeds alleen maar aansluiten bij de leerlingen die een instructie-aanpak prefereren en die luisterend het beste informatie opnemen, maar we ook andere leerlingen met een andere leerstijl tot hun recht laten komen. Dit laatste is wellicht het belangrijkste.

Hoe kun je dit alles nu in de praktijk uitwerken? In hele grote stappen komt dat hierop neer:

  1. Bij een nieuw onderdeel, thema of project moeten we eerst zo nauwkeurig mogelijk formuleren wat de leerlingen moeten weten en kunnen.

  2. Vervolgens inventariseren we werkvormen en activiteiten die met het onderwerp in verband gebracht kunnen worden, waarbij we de indeling van Vester niet uit het oog moeten verliezen.

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties