taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Eerste conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 1 | Eerste conferentie Het Schoolvak Nederlands (1986)


Bijdrage: Het schoolvak Nederlands aan het einde van het voortgezet onderwijs (Frank Jansen)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Frank Jansen
99

plaats om de gehele gedachtenwisseling weer te geven, maar ik maak een uitzondering voor het thema van de vergelijking met vroeger. Was de gemiddelde taalvaardigheid vroeger beter?

"Nee", zeggen de verdedigers van het huidige onderwijs: "Taalkritiek is van alle tijden". Bolle (1980) verwijst zelfs naar verzuchtingen over het peil van 'de taal van tegenwoordig' op Egyptische papyrusrollen van 4000 jaar geleden. Dat ouderen kritiek hebben op de taal van jongeren bewijst dus niet dat de taal inderdaad achteruit gegaan is. Dan zouden we immers allang tot gebrabbel vervallen zijn. Die zogenaamde achteruitgang in taalbeheersing is volgens sommigen trouwens onbewijsbaar. Onderzoek als dat van het SCO zou alleen iets zeggen, als we dat konden vergelijken met dat van 40 jaar geleden. Jammer genoeg hadden onderzoekers in 1946 iets anders aan hun hoofd. Daarom moeten we wachten met conclusies tot over 40 jaar.

Is deze redenering helemaal juist? Ik denk het niet. Natuurlijk voeren taalcritici inderdaad een rollenspel op, als ze hun hoofd schudden over de prestaties van latere generaties, die nog moeten leren hoe het moet. Maar we mogen aan het tijdloze karakter van taalkritiek niet de conclusie verbinden dat de activiteiten van de ouderen nutteloos zouden zijn. Dat zou even absurd zijn als een leraar die, weigert in klas 2a het rode potlood te hanteren, omdat hij zes jaar eerder die fout ook al in 'hetzelfde' 2a aanstreepte. Verder valt op te merken dat het eeuwige geklaag alleen bewijst dat elke generatie wat te klagen heeft over de volgende. Niet dat vooruitgang en achteruitgang in taalvaardigheid niet bestaat. En het is naar mijn idee helemaal niet zo gek om' op voorhand te veronderstellen dat sommige taalvaardigheden achteruit gegaan zijn. Uitgangspunt is dan de stelling dat meer aandacht in het onderwijs voor X,ertoe zal leiden dat leerlingen meer weten over of kunnen in X. Bijvoorbeeld: lessen over het milieu leiden tot kennisvermeerdering daarover. Dat zal toch iedereen onderschrijven.

Nu zijn er in het onderwijs de laatste twintig jaar diverse doelstellingen

bij gekomen. Vaak hebben die een algemene strekking, zoals 'leren samenwerken', 'sociale vorming' en 'mensen mondig maken'. Die doelstellingen zijn niet slechts grauwe retoriek gebleven. Illustratief zijn de hoofddoelstellingen van de leraar Nederlands die zich aan Bonsets uitvoerige case-study onderwierp, (Bonset (red.) 1985, p.22-25). Deze leraar beschouwt het als zijn eerste taak zijn leerlingen te scholen in communicatief opzicht en sociaal te vormen. Dat houdt in dat ze moeten samenwerken, goede contacten moeten opbouwen en moeten

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties