taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Tiende conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 10 | Tiende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1997)


Bijdrage: Woordenschatonderwijs in de taalklas (Mariélle Bieleman & Esther Hafkenscheid)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

30   Mariëlle Bieleman & Esther Hafkenscheid

1 THEORETISCH-DIDACTISCHE ACHTERGRONDEN 1.1 Welke woordcategorieën?

Met behulp van de woordenschatlijn van Weet wat je leest kunnen taalzwakke leerlingen hun kennis van schooltaalwoorden vergroten. Het programma bevat ± 300 woorden die allemaal uit basisvormingsmethoden komen en verantwoord zijn ten opzichte van een streefwoordenlijst. Deze woorden kunnen ondergebracht worden in verschillende categorieën.

Een belangrijke categorie is die van de polyseme woorden, de woorden met meerdere betekenisaspecten. Van deze woorden kennen de leerlingen meestal wel één betekenis, de dagelijkse, meest gebruikte, maar juist niet de 'schoolboekenbetekenis' die ze nodig hebben. Voorbeelden daarvan zijn de woorden `relatie', `dienen' en `ontwikkelen'. Dit laatste woord kennen veel leerlingen meestal van het ontwikkelen van een fotorolletje, maar in schoolboeken komt het eerder voor bij 'projecten ontwikkelen' (bij aardrijkskunde bijvoorbeeld) of bij het 'zich ontwikkelen van cellen' (bij biologie).

Een andere belangrijke categorie vormen de abstracte woorden. Leerlingen hebben meestal wel eens van deze woorden gehoord, die veel in schoolboek-teksten voorkomen, maar ze kennen de exacte betekenis er niet van. Voorbeelden van dergelijke woorden zijn: 'voorwaarde, `motivatie, `normen'.

Een derde belangrijke categorie woorden wordt gevormd door de structureringswoorden. De verbindingswoorden en verwijswoorden die hieronder vallen zijn zeer belangrijk voor het tekstbegrip van de leerlingen. Voorbeelden van woorden uit deze categorie zijn: `ten eerste - ten tweede, 'doordat, 'eruit', `waarvan' en 'deze'.

1.2 Woordverwervingsstrategieën

Alle woorden in Weet wat je leest worden de leerlingen in authentieke of slechts licht aangepaste teksten aangeboden; ze worden dus altijd in hun context gepresenteerd. De betekenissen van de woorden worden niet direct gegeven; de leerlingen moeten die zelf achterhalen met behulp van woordleerstrategieën. Weet wat je leest biedt hen vier basisstrategieën aan:

  1.  de eigen woordkennis inschatten;

  2.  de betekenis uit de context halen;

  3.  de woordvorm analyseren;

  4.  de betekenis controleren in de tekst.

De leerlingen moeten actief aan de slag met de woorden en moeten daarbij stap voor stap te werk gaan. Een hele belangrijke stap is daarbij de eerste: de

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties