taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Tiende conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 10 | Tiende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1997)


Bijdrage: Woordenschatonderwijs in de taalklas (Mariélle Bieleman & Esther Hafkenscheid)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

WOORDENSCHATONDERWIJS IN DE TAALKLAS   31

leerlingen moeten bij zichzelf nagaan of ze een woord wel of niet kennen. De achterliggende gedachte daarvan is dat het belangrijk is dat de leerlingen zich bewust zijn van hun eigen woordkennis: als zij namelijk denken een woord al te kennen, terwijl dat niet het geval is, zullen ze er bij het leren geen aandacht aan besteden en het woord dus ook niet ècht leren. Het kunnen inschatten van de eigen woordkennis is dus een belangrijke voorwaarde voor woordverwerving (zie ook Schouten-Van Parreren e.a. 1995).

Als de leerlingen hebben vastgesteld dat ze een woord niet of slechts gedeeltelijk kennen, moeten ze met behulp van een van de overige woordverwervingsstrategieën de betekenis van het woord achterhalen en deze betekenis goed controleren in de tekst. Ook betekenissen van woorden die ze al wél zeggen te kennen, moeten in de tekst gecontroleerd worden. Ten slotte moeten ze de woorden in een nieuwe context kunnen gebruiken. Deze stappen worden samengevat in een stappenplan dat de leerlingen in drie hoofdstukken geleidelijk aan onder de knie krijgen. Het uiteindelijke doel van dit stappenplan is dat de leerlingen er zelfstandig mee kunnen werken en het ook gaan toepassen op moeilijke woorden die ze zélf in hun schoolboeken tegenkomen.

De woordenschatlijn kan binnen de school op verschillende manieren ingezet worden. Ze kan in heterogene klassen waarin maar enkele taalzwakke leerlingen zitten, gebruikt worden in combinatie met de leeslijn bijvoorbeeld. Ook kan de methode in steunuren voor taalzwakke leerlingen gebruikt worden. Op het Rölingcollege is er in twee speciale taalklassen met de methode gewerkt. Hieronder volgt een toelichting op de opzet en inrichting van deze taalklassen.

2 DE TAALKLASSEN 2.1 Waarom taalklassen?

Uit het Nationaal Scholierenonderzoek, waaraan het Rölingcollege in 1995 deelnam, bleek dat maar liefst 20% van de leerlingen in vbo/mavo-1 thuis een andere taal dan het Nederlands spreekt. De afgelopen jaren heeft het Rölingcollege allochtone leerlingen (zowel onder- als neveninstromers) voornamelijk buiten het lesrooster begeleid. In die extra uren werd aandacht besteed aan het vergroten van de woordenschat en het trainen van begrijpend-lezenstrategieën. Geleidelijk groeide echter het besef dat de school — ondanks de goede bedoelingen en de grote inzet — onvoldoende structureel werkte.

Bovendien kampte de school met een ander probleem: leerlingen die met een vbo-advies instroomden in brugklas-1, bleken het minimumniveau niet te halen. Hun achterstanden lagen vooral op het gebied van Nederlands en van de meer 'talige' vakken (geschiedenis, verzorging en dergelijke). Huiswerk- en

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties