Doorzoek alle bundels


Bundel 10 | Tiende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1997)

Bijdrage: Woordenschatonderwijs in de taalklas (Mariélle Bieleman & Esther Hafkenscheid)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

WOORDENSCHATONDERWIJS IN DE TAALKLAS   33

fasen. In de eerste fase zijn er twee toetsen bij de leerlingen afgenomen: een ja/nee-toets om de metalinguïstische kennis van de leerlingen te meten (voor meer informatie over dit type toets: zie Anderson & Freebody 1983) en een meerkeuzetoets om de woordenschat te meten. Deze toetsen maakten overigens deel uit van een overkoepelend onderzoek naar de effecten van de leeslijn en de woordenschatlijn van Weet wat je leest onder middelbare scholieren in Groningen en werden dus niet speciaal voor dit onderzoek ontworpen.

In de tweede fase van het onderzoek is het werken met het woordenschatprogramma in de taalklas geobserveerd. In de derde fase ten slotte zijn er opnieuw een ja/nee-toets en een meerkeuzetoets bij de leerlingen afgenomen om zo de effecten van het programma te kunnen vaststellen. De pre-toetsen en de post-toetsen zijn ook in een controlegroep afgenomen, zonder dat in deze klas in de tussentijd met de woordenschatlijn is gewerkt. Deze controlegroep was ook een vbo/mavo-klas van het Rölingcollege, maar geen speciale taalklas. In deze klas zaten dus de over het algemeen iets sterkere leerlingen.

Hieronder zullen eerst de knelpunten in het werken met de woordenschatlijn belicht worden, zoals die uit de observaties en uit de ervaringen van de docente naar voren zijn gekomen. Vervolgens zal worden ingegaan op de oplossingen hiervoor, die tijdens het werken met het programma al naar voren zijn gekomen. In de laatste paragrafen ten slotte zullen de onderzoeksresultaten besproken worden.

3.2 Knelpunten

De eerste paar weken werd gewerkt met een korte instructie gevolgd door een voorbeeld, waarna de leerlingen individueel de oefeningen uitwerkten. Deze aanpak bleek onvoldoende effectief. Hiervoor waren verschillende oorzaken aan te wijzen. Een deel van die oorzaken lag in het type leerlingen. In de taalklas zitten leerlingen die doorgaans over de gehele linie zwakker presteren, een lager tempo hebben en er moeite mee hebben zichzelf te beoordelen. Een ander deel van de oorzaken moet toegeschreven worden aan de proefversie van de woordenschatlijn van Weet wat je leest. De lay-out liet hier en daar nog te wensen over en sommige oefeningen bleken te complex te zijn geformuleerd.

In de praktijk leverde dat de volgende knelpunten op. De leerlingen hadden moeite met:

  •  het onderdeel 'inschatten van de eigen woordkennis';

  •  het herkennen van woorden zonder context;

  •  het tijdsbestek waarin de oefeningen gemaakt moesten worden.