taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Conferentiebundels

Bundel 10

Tiende conferentie Het Schoolvak Nederlands
Rita Rymenans & Hugo de Jonghe
1997
410 pagina's

EEN NIEUW LEERPLAN NEDERLANDS   59

communicatiesituatie willen voorbereiden (bijvoorbeeld een interview, een les, een rapport, een spreekbeurt, een discussie, een onthaal, een artikel, een affiche,...) of wanneer ze een tekst grondig willen beluisteren, lezen of reviseren (Callebaut 1988).

Ik vind ook dat kinderen dat moeten leren, omdat goed taalgebruik er precies van afhangt of je met al die factoren voldoende rekening gehouden hebt. Ik ben er ook van overtuigd dat de meeste, ook tragische communicatiefouten, te wijten zijn aan het feit dat één of meer van die factoren vergeten werden of verkeerd ingeschat. En niet zozeer, zoals leraren beweren, omdat taalfouten gemaakt werden (Callebaut 1996). Die negen vragen noem ik het taalmodel en ik ben daar laaiend enthousiast over. Ik gebruik het enorm veel en het heeft al veel zaken duidelijker voor me gemaakt. Ik heb het jaren geleden van mijn helaas overleden collega Frans Vierstraete gekregen en die had zich geïnspireerd op Van Lint (1973).

Mijn ervaring met dit taalmodel is dat het:

  •   het volledigste is dat ik ken;

  •   voor elk taalgebruik en dus ook voor elke communicatiesituatie bruikbaar is en vanuit elk standpunt: als luisteraar, spreker, lezer (Callebaut 1987) of schrijver;

  •   zowel op het niveau van kinderen van de basisschool als op het niveau van wetenschappelijk onderzoekers bruikbaar is;

  •   een open model is: het reikt niet zelf de antwoorden aan (die moet de gebruiker zelf vinden) en daarenboven vind je nooit het definitieve antwoord;

dat goed taalonderwijs en goed communicatieonderwijs zonder zo'n model niet kunnen (Callebaut 1993).

Waar ik bijzonder blij om ben, is dat zeker de laatste deelleerplannen ertoe aanzetten deze negen vragen als één instrument te leren gebruiken. Het is evident dat je van leerlingen van de zesde klas (of van groep acht) niet mag verwachten dat ze die klus al helemaal zullen klaren. Daar moet in het voortgezet onderwijs en, trouwens het hele leven lang, aan verder gewerkt worden. Toch moeten we kinderen daarin niet onderschatten. Het is niet zo absurd te denken dat de communicatieve competentie al voor een groot deel aangeboren is. Kinderen hebben alleen de tijd nodig om die competentie te laten rijpen en te oefenen. Wanneer we hen met het taalmodel leren werken, geven we hen echter een instrument om dat zelfstandig en bewuster te doen en om niets te vergeten.

Dat kleuters al aardig uit de voeten kunnen met variërende en complexe communicatiesituaties bewijst de soepelheid waarmee ze met de verschillende volwassenen omgaan die hen opvoeden: de beide ouders, grootouders die inspringen, kinderopvang, de kleuterjuf enz. Die hebben vaak verschillende boodschappen of gelijkaardige boodschappen met andere betekenissen, ver-

© Nederlandse Taalunie, 2000-2009 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties