taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Conferentiebundels

Bundel 10

Tiende conferentie Het Schoolvak Nederlands
Rita Rymenans & Hugo de Jonghe
1997
410 pagina's

LOPEN WE IN DE JUISTE RICHTING VOOR DE EINDTERMEN ?   67

examen. Je laat mensen met de auto rijden, om te kunnen zeggen of ze dat kunnen of niet. Bij een indirecte toets wordt de leerlingen gevraagd iets te doen wat als een indicator wordt beschouwd voor datgene waarover men uitspraken wil doen. Een theoretische proef om kennis van de verkeersregels te meten zou een indirecte toets voor rijvaardigheid kunnen zijn. Men neemt dan aan dat iemands kennis van de verkeersregels een goede indicator is voor hoe hij met de auto kan rijden. De voorbeeldtoetsen 1 en 3 zijn indirecte, en 2 en 4 directe toetsen. Bij deze laatste twee wordt immers gevraagd om effectief een oproep, uitnodiging of instructie te schrijven.

Wie toets 1 beschouwt als een goede indirecte toets voor de eindterm 4.2, gaat uit van de veronderstelde correlatie tussen 'goed creatief kunnen schrijven' en 'juist schrijven'. Natuurlijk is het niet zo dat je juist moet kunnen schrijven om goed te schrijven, maar er is wel vastgesteld dat kinderen die goed kunnen schrijven, meestal ook juister schrijven dan andere. Iemand die de toets voor deze eindterm gebruikt, zou als volgt kunnen redeneren: 'Ik beperk mij tot het toetsen van spellingvaardigheid, want dat vertelt mij ook of mijn leerlingen een dergelijke tekst zouden kunnen schrijven.'

Toets 3 is minder indirect, omdat er hier toch met een 'echte' tekst wordt gewerkt. De band met de eindterm is directer. Toch blijft het een indirecte toets, aangezien leerlingen niet moeten schrijven, maar reviseren, wat maar één onderdeel is van het schrijfproces. Wie deze toets als een goede toets voor eindterm 4.2 beschouwt, gaat ervan uit dat 'kunnen reviseren' een indicator is voor hoe kinderen kunnen schrijven.

Belangrijk is in dit opzicht het begrip validiteit. Van een toets wordt gezegd dat hij valide is als hij meet wat hij beoogt te meten. Dat is evidenter bij directe dan bij indirecte toetsen. Bij een directe toets is de band tussen datgene wat je beoogt te meten en datgene wat je meet, direct en is de validiteit dus verzekerd. Bij een indirecte toets moet die band eerst nog aangetoond worden. Een toets moet uiteraard valide zijn, en dus krijgen directe toetsen de voorkeur.

2.2 Objectief scoorbare toetsen en toetsen waarvan de beoordeling op het eerste gezicht eerder subjectief lijkt

Toets 1 en 3 zijn objectief te scoren. Om het even wie kan deze toets scoren en iedereen zal tot hetzelfde resultaat komen, want het is duidelijk wat goed is en wat fout. Toets 2 en 4 lijken in dat opzicht veel problematischer. Het is duidelijk dat voor het scoren van deze toetsen inzicht in het schrijfproces vereist is en dat het bij voorkeur zoveel mogelijk door één persoon kan gebeuren. Immers, als verschillende personen deze toetsen scoren, zullen zij wellicht verschillende criteria hanteren en dus ook tot verschillende resultaten komen. Eén persoon kan het objectiever doen, maar ook dan blijft het wellicht een moeilijke zaak.

© Nederlandse Taalunie, 2000-2009 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties