taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Conferentiebundels

Bundel 10

Tiende conferentie Het Schoolvak Nederlands
Rita Rymenans & Hugo de Jonghe
1997
410 pagina's

LOPEN WE IN DE JUISTE RICHTING VOOR DE EINDTERMEN ?   69

Het tweede criterium (informatie op een communicatief adequate manier uitgedrukt?) is hier zeer algemeen weergegeven, maar moet natuurlijk nog nader worden gespecificeerd. In dit geval kan men stellen dat de info begrijpelijk moet zijn voor een leeftijdgenoot, en dus een welwillend persoon. Voor een brief aan een onbekende volwassene zouden we hier ook vormelijke criteria kunnen laten meespelen.

Het derde criterium heeft betrekking op de structuur, op de plaats van de onderdelen in het geheel van de brief. Er is geen vaste volgorde vooropgesteld, het moet gewoon logisch zijn. Bijvoorbeeld: je zou de brief kunnen beginnen met te zeggen dat je zeker je identiteitskaart niet mag vergeten, maar dat kan ook in een PS komen.

Dit derde criterium gaat echter al verder dan eindterm 4.2. We zitten hier al op een hoger verwerkingsniveau (structureren). Maar doordat er naar verschillende punten gekeken wordt, kan dit ook bij de scoring betrokken worden. Immers, van leerlingen die voor het eerste en het tweede criterium goed scoren, kan men zeggen dat ze de eindterm halen. Leerlingen die dat ook voor het derde criterium doen, gaan verder. En aangezien de eindtermen minimumdoelstellingen zijn voor alle leerlingen, lijkt het interessant om ook verder te kijken. Uiteraard moet de drempel die men bij deze toets hanteert, met andere woorden wat als voldoende wordt beschouwd, daaraan aangepast zijn.

Het blijkt dus ook mogelijk te zijn om dergelijke directe toetsen, creatieve schrijfopdrachten, op een vrij objectieve wijze te scoren. Maar al bij al blijft het een omslachtige zaak. Zouden we dan niet beter sowieso altijd indirect toetsen, omdat dat in de meeste gevallen toch makkelijker objectief te scoren is?

Indirect toetsen houdt echter een mogelijk gevaar in, namelijk het `teaching to the test'-effect. Wanneer een leerkracht bijvoorbeeld spellingvaardigheid als een goede indicator beschouwt voor schrijfvaardigheid in het algemeen, en bijgevolg gebruik maakt van indirecte toetsen, zou hij er voor zijn onderwijs mee kunnen volstaan om leerlingen goed te leren spellen. Als hij dan op basis van de toetsresultaten nog uitspraken doet over de schrijfvaardigheid van de leerlingen in het algemeen, dan is die leerkracht uiteraard verkeerd bezig.

Hetzelfde kan gebeuren wanneer technische leesvaardigheid wordt beschouwd als een goede indicator voor begrijpende leesvaardigheid, of woordenschatkennis als een goede indicator voor tekstbegrip, en men bijgevolg gebruik maakt van technische lees- en woordenschattoetsen. Ook dan zou men in de fout kunnen vervallen om zijn onderwijs tot deze aspecten te beperken. In dat geval heeft het gebruik van indirecte toetsen een negatief effect op het onderwijs.

© Nederlandse Taalunie, 2000-2009 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties