taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Conferentiebundels

Bundel 10

Tiende conferentie Het Schoolvak Nederlands
Rita Rymenans & Hugo de Jonghe
1997
410 pagina's

70   Marleen Colpin

2.3 Curriculumonafhankelijke en curriculumafhankelijke toetsen

Vanwege het boven beschreven gevaar kan men dus het best gebruik maken van toetsen die vaardigheden als geheel toetsen (= direct toetsen) en geen onderdelen of onderliggende vaardigheden ervan. Bovendien kunnen die toetsen ook het best curriculumonafhankelijk zijn. Dat zijn toetsen die niet direct aansluiten bij de gebruikte methode en dus niet het `teaching to the test'-effect inhouden. Die toetsen meten, onafhankelijk van de methode, de taalvaardigheid van de leerlingen. Die opbouw moet de doelstelling van elke vorm van onderwijs zijn.

Toen bleek dat deze directe, curriculumonafhankelijke en objectief scoorbare toetsen niet voorhanden waren, besloten we op het Steunpunt NT2 (KU Leuven) een Leerlingvolgsysteem taalvaardigheid voor de lagere school te ontwikkelen. In september 1995 werd ermee gestart. Gedurende het eerste schooljaar werd een dertigtal toetsen ontwikkeld, waarvan voorbeeld 4 er één is. Dit is een toets voor schrijfvaardigheid, maar er zijn ook toetsen voor spreken, lezen en luisteren. De bedoeling is om te komen tot een geheel van toetsen voor de vier vaardigheden, wellicht één toets per vaardigheid per trimester, waarmee de evolutie in de taalvaardigheid van de leerlingen van het tweede tot en met het zesde leerjaar in grote lijnen kan worden gevolgd. Daartussen is er natuurlijk nog meer dan voldoende ruimte voor toetsen die leerkrachten zelf maken.

3 HOE ZIET EEN TOETS ER CONCREET UIT?

Een toets is een taak: de leerlingen moeten iets doen waarbij taal moet begrepen of gebruikt worden om het tot een goed einde te brengen. De leerlingen moeten met natuurlijke, relevante teksten dingen doen die relevant zijn in het licht van de eindtermen. Dat moeten ook vertrouwde dingen zijn, soorten taken die ze al eens uitgevoerd hebben. Anders kan het toetsformaat voor de leerling een belemmering vormen om de toets goed uit te voeren, om te tonen wat hij aan taalvaardigheid in petto heeft. Een toets mag, in tegenstelling tot een onderwijstaak waarmee je leereffect wil bereiken, geen kloof bevatten. Met een toets wil je immers weten wat de leerlingen al kunnen. De toetstaak mag dus geen nieuwe elementen bevatten.

Maar wanneer is dat het geval? Met andere woorden, hoe kunnen we bepalen wat we op een bepaald ogenblik van een leerling mogen verwachten? Hoe bepalen we wat de moeilijkheidsgraad is van een toets? Dat is niet zo eenvoudig te zeggen: bij curriculumonafhankelijk toetsen laat men niet door de gebruikte methode of wat er in de klas pas behandeld is, bepalen wat de leerlingen op een bepaald moment moeten kunnen. Er wordt los van de methode getoetst of de leerlingen op weg zijn om voldoende taalvaardig te worden, en

© Nederlandse Taalunie, 2000-2009 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties