onder leiding van een coördinator.
Duidelijk is dat wanneer de school, vanuit dit laatste perspectief, op verantwoorde wijze met CKV1 zou willen beginnen, drie kwaliteiten gewenst zijn.
Ten eerste gaat het om kunstvakdocenten, die hun expertise als docent beeldende vorming, muziek, drama/dans/mime en literatuur inzetten voor de ontwikkeling en uitvoering van CKV 1onderwijs. De kunstvakdocent draagt bij aan het onderwijs, dat in themavorm wordt georganiseerd.
Ten tweede brengt de aard van het vak mee dat de leerlingen op hun leerroute terzake CKV 1 individuele begeleiders krijgen, die hen helpen plannen, de juiste kunstuitingen uitzoeken, daarop reflecteren en vastleggen in het kunstdossier. We noemen ze kunstmentoren.
Ten derde zullen teamleiders nodig zijn, die in overleg met collegae-vakdocenten de relaties met de kunstinstellingen ter plaatse en elders gaan onderhouden, de lijnen uitzetten voor het in teamverband te ontwikkelen onderwijs en de organisatie op zich nemen van het vak op school Dat zijn de kunstcoördinatoren. Het waarschijnlijkst is dat elke kunstvakdocent voor een aantal leerlingen van de klassen waarin hij zijn specialisatie overdraagt tevens mentor is. Maar elke leerling heeft slechts één mentor, zodat de kunstvakdocent zowel lesgeeft aan leerlingen van wie hij wél als aan leerlingen van wie hij niét de mentor is.
Het is de kunstcoördinator die, zoals de naam al aangeeft, ervoor zorgt dat de leerlingen hun mentor kunnen kiezen of krijgen toegewezen. Hij werkt als het ware vanuit de schoolorganisatie, de mentor vanuit de leerling. Maar eerst en vooral stellen wij ons hem voor als de bindende figuur voor CKV1, op grond van vakbekwaamheid, veelzijdige betrekkingen tot de kunsten, communicatieve en organisatorische vermogens.
Mogelijke rollen van de literatuurdocent
Wat kunnen we nu als literatuurdocent, en in het bijzonder als docent Nederlands, in CKV1 voor rol spelen?
Allereerst natuurlijk de rol van elke kunstvakdocent met bepaalde ambities en hart voor de culturele vorming van leerlingen. Van oudsher heeft in het bijzonder de leraar Nederlands in de school een sterk bindende rol gespeeld in alle buitenlesactiviteiten die met cultuur te maken hebben: het schooltoneel, de debatingclub, vroeger de declamatietoernooien, later de organisatie van schrijvers op school en culturele werkweken. Daarin was hij of zij niet exclusief bezig, er zijn zeker ook collegae van andere vakken die zo te werk gaan. Maar het zijn toch heel vaak de talendocenten, die op school de lijn van de cultuur bepalen of medebepalen. Dat komt misschien ook omdat álle leerlingen met literatuur te maken krijgen, terwijl de andere kunstvakken in de bovenbouw slechts selectief gegeven worden.
Dat is mijn eerste argument. De historische werkelijkheid zegt mij, dat de docent Nederlands een heel goede kunstcoördinator zou zijn - niet exclusief, maar wel op redelijke gronden. Daar komt als tweede argument bij, dat er een kloof gaapt tussen de praktijk van de andere kunstvakken en het literatuuronderwijs. Van oudsher heeft men bij tekenen, muziek of drama, om de drie meest gekozen kunstvakken te noemen, het accent gelegd op het ambacht van de kunstenaar, op de
149