Roosteren! Sudderen! Gaarkoken!
Op een avond wandelde ik door het Diëgerwoud naar huis. Er hing een lugubere sfeer, het was nacht. Maanlicht scheen door de kruinen van de hoge eikenbomen die wirwar langs het paadje stonden. Opeens zag ik iets in het struikgewas ritselen. Ik keek nog eens. Het leek niet op een konijn, want daarvoor was het te klein. Maar een vogel was het zeker niet, daarvoor was het dan weer te groot. Ik besloot te gaan kijken. Heel voorzichtig, stapje voor stapje, naderde ik de struik.
"Nog een stap en ik spring erop!" dacht ik bij mezelf Maar voor ik iets kon doen sprong er een afgrijselijk wezen op mij. Het keek recht in mijn ogen. Ik zag dat het een trol was. Plotseling kwam er een walgelijke geur over mij. Die stonk naar bedorven stoofvlees in maderasaus. De tanden in zijn gapende smoel kon je op je ene hand tellen. Zijn ruwe huid was bedekt met een mix van groene blubber, vette knobbels en stekelige haren. Om Van zijn neus nog maar niet te spreken.
De trol bond mij vast met iets dat op spaghetti leek. Hij sleurde mij met een ijzersterke greep naar zijn hol onder de grond. Uit talrijke gangen en pijpen kwamen er nog een handvol van dergelijke trollen. Er was er eentje bij die wat groter leek. Het was de baas van het groepje. Hij had een hamertje in zijn linkerhand en klopte ermee op een houten biervaatje. Hij sprak de andere gedrochten toe: "Mannen!" riep hij, "Bush, onze kameraad heeft een van de grote lieden verschalkt en gevangen." Zo noemden zij ons, mensen. "Nu is de vraag: wat doen we ermee?" "Roosteren! Sudderen! Barbecuen! Gaarkoken!" bulderden ze door elkaar. Zo bleven ze tegen elkaar kibbelen. Ik keek en wachtte af wat er met mij zou gebeuren. De trollen maakten behoorlijk wat ruzie. Er waren er zelfs een paar die niet elkaar op de vuist gingen.
De hoofdman riep boven alle geruzie uit: "GENOEG!" "Ik zal wel beslissen wat er met hem gebeurt! We roosteren hem!" De trollen bonden mij aan een houten paal. Ze hingen mij boven een vuurtje. Het vuurtje wakkerde aan terwijl zweetdruppels over mijn voorhoofd rolden. De trollen waren aan het watertanden, kwijl droop uit hun muil. Toen schreeuwde één van die afzichtelijke wezens: "Dansen!" De gekke sprongen leken eerder op een wilde vreugdedans dan op een ritueel. Maar door hun gestamp en het gezang van de hoofdtrol, waren zij de tijd vergeten. Zoals elke dag kwam de zon op en waren alle trollen in enkele seconden in rotsblokken veranderd.
Maar ja, dáár hing 'ik' boven het vuur dat steeds meer zin kreeg om hogerop te klimmen. Toen de vlammen al bijna de toppen van mijn achterwerk bereikt hadden, hoorde ik stemmen. Het waren mijn ouders en mijn jongste zusje. Ik gilde de ziel uit mijn lijf opdat ze me zouden vinden. Gelukkig hoorden ze me en was ik vlug bevrijd.
Toen ik het hele verhaal aan mijn klasgenoten vertelde, barstten ze in lachen uit.
Diether De Ruyte, Ben Schelfhout en Bram De Pauw, 1Latijn B
17