Leren reflecteren op de toekomst. Leerlingen dienen zicht te krijgen op de eigen toekomstmogelijkheden. Daartoe moet bij Nederlands bijvoorbeeld aandacht besteed worden aan de rol en het belang ervan voor het maatschappelijk leven en vervolgopleidingen.
De vaardigheden uit het basisdeel worden niet apart onderwezen en getoetst; ze komen alleen aan de orde in relatie tot de eindtermen uit het kern- en verrijkingsdeel.
1.2 Kerndeel
In het kerndeel is het kernprogramma met de eindtermen per vak beschreven. Dit kerndeel heeft twee niveaus:
een dat aansluiting geeft op het lang-mbo;
- een dat aansluiting geeft op het kort-mbo/cbo.
In het kerndeel zijn voor het Nederlands de exameneenheden opgenomen, ingedeeld naar de vier taalvaardigheden en het domein Fictie. Per vaardigheid gaat het om een aantal eindtermen waaraan een toelichting is toegevoegd. Daarin wordt beschreven hoe de eerder genoemde niveaus van elkaar worden onderscheiden. In paragraaf 2 komen we op dit kerndeel terug.
1.3 Verrijkingsdeel
Het verrijkingsdeel biedt de mogelijkheid om buiten de twee niveaus om nog meer te differentiëren. Voor leerlingen die zich in de richting van het lang mbo willen profileren zijn de opdrachten in dit verrijkingsdeel verplicht. We komen erop terug in paragraaf 3.
2. Het kerndeel toegelicht
Het kerndeel bevat de exameneenheden: de samenhangende groepen van eindtermen die geëxamineerd worden binnen het bewuste vak. Het in 1996 gepubliceerde concept-examenprogramma Nederlands is, evenals de programma's van andere vakken, onvolledig in zoverre dat het wel de eindtermen van het kerndeel bevat, maar niet de voorgestelde vormen van examinering daarvan. De reden daarvan is dat op dit moment een door OCW ingestelde Adviescommissie Examinering vbo/mavo zich nog buigt over een algemene examenstructuur voor het toekomstige vbo en mavo, en dat het niet verstandig geacht werd om vakspecifieke examineringsvoorstellen al het licht te doen zien voordat deze commissie haar werk had afgerond. In deze bijdrage neem ik niettemin de vrijheid ook de examineringsvoorstellen te schetsen die de ontwikkelgroep heeft opgesteld voor Nederlands. In de praktijk zijn het toch de examenvormen die in sterke mate bepalen hoe het voorafgaande onderwijs eruit ziet, en als de lezer daarvan geen kennis kan nemen, kan hij dus ook de intenties van de ontwikkelgroep achter de geformuleerde eindtermen niet voldoende inschatten. Diezelfde lezer moet echter wel bedenken dat deze examineringsvoorstellen dus slechts worden geschetst onder het grootst mogelijke voorbehoud.
Een tweede complicerende factor bij het schetsen van een nieuw examenprogramma Nederlands voor vbo en mavo, is dat dit programma ook nog in 1994 revisie heeft ondergaan, wat geleid heeft tot het in werking treden van een gereviseerd examenprogramma per 1 augustus 1996. Dit gereviseerde examenprogramma moet niet worden verward met het nieuwe examenprogramma dat in deze bijdrage centraal staat. Het leek mij zinvol enig overzicht te scheppen door de veranderingen van het laatste decennium in een vergelijkend schema te zetten (zie schema 2).
40