niveau van abstractie) bij het kerndeel-lang dan bij het kerndeel-kort. Ten tweede via hogere normen aan geproduceerde teksten (qua publiekgerichtheid en formele correctheid) bij het kerndeel-lang dan bij het kerndeel-kort. Ten derde via minder voorgestructureerde opdrachten bij het kerndeel-lang dan bij het kerndeel-kort. Een voorbeeld (Schrijfvaardigheid) :
In de opdrachten is een grote mate van sturing aanwezig met betrekking tot doel, publiek, vorm en inhoud van de te produceren teksten. De taaluitingen van de leerlingen voldoen aan minimumeisen die communicatie mogelijk maken (kort)
In de opdrachten is een zekere mate van sturing aanwezig met betrekking tot doel, publiek, vorm en inhoud van de te produceren teksten. De taaluitingen van de leerlingen voldoen overwegend aan eisen van publiekgerichtheid en formele correctheid (lang).
Het is duidelijk dat onze aanbevelingen voor niveaudifferentiatie een nogal algemeen karakter dragen. Maar verdergaande specificaties achtten wij binnen het kader van de opstelling van een examenprogramma niet mogelijk. Het is nu aan de makers van methoden en toetsen om onze algemene typeringen in concreto uit te werken .
2.3 Aandacht voor strategieën
Een nieuw element in de door de ontwikkelgroep voorgestelde eindtermen, ook ten opzichte van het gereviseerde examenprogramma, is de systematische aandacht voor het gebruik van strategieën bij de taalvaardigheden. Deze is tot uiting gebracht in iedere eerste eindterm van de bewuste exameneenheid. Zo opent Leesvaardigheid met:
-
De kandidaat kan leesstrategieën hanteren (globaal, zoekend en intensief lezen). Spreek- en gespreksvaardigheid opent met:
-
De kandidaat kan een strategie hanteren ten behoeve van de spreek- of gesprekssituatie (zich voorbereiden; informatie verwerven, verwerken en verstrekken; reflecteren op de eigen deelname).
Bij al deze eindtermen is het strategische daarin gelegen dat de leerling voordat hij gaat schrijven, lezen, spreken, of luisteren/kijken de communicatieve situatie analyseert, zijn communicatieve doel bepaalt, een aanpak kiest die bij zijn doel aansluit, en na zijn taakuitvoering reflecteert op de door hem gekozen aanpak, met het doel daarvan te leren voor volgende taakuitvoeringen.
We sluiten met het bovenstaande aan bij belangrijke recente ontwikkelingen in zowel de taalvaardigheidsdidactiek als de leer- en onderwijspsychologie.
2.4 Informatie- en communicatietechnologie
Het basisdeel van het examenprogramma Nederlands vermeldt: "In het vak Nederlands wordt -informatie- en communicatietechnologie gebruikt om teksten te verwerken, informatie te verzamelen uit gegevensbestanden en te communiceren via netwerken".
In het kerndeel krijgt een en ander concreet vorm via een eindterm uit de exameneenheid Schrijfvaardigheid:
- interactief programma (bij Luister- en kijkvaardigheid);
- elektronisch vervaardigde tekst (bij Schrijfvaardigheid).
45