Overwegingen van een schoolboekauteur in de Tweede Fase; over de vervanging van Taaldaden door een nieuwe methode
ANTOINE BRAET
-
Vooruitblik
Volgend schooljaar, september 1998, zullen de eerste scholen beginnen met lesgeven volgens de uitgangspunten van de Tweede Fase. Voor de docenten zal dat een grote wijziging van de lesinhoud en de didactiek betekenen. De nieuwe lesinhoud wordt, veel gedetailleerder dan vroeger, gedicteerd door de nieuwe examenprogrammma's van havo-vwo. De didactiek zal beïnvloed worden door het leidende beginsel van het studiehuis: zelfstandig werken of, nog liever, zelfstandig leren.
Deze veranderingen hebben echter niet alleen consequenties voor lesgevers. Ook de schrijvers van schoolboeken zullen fors moeten bijsturen. Ze zullen hun leerboeken inhoudelijk en didactisch op de veranderende situatie moeten afstemmen. Dit betekent enerzijds dat ze ervoor moeten zorgen dat alle (tientallen!) eindtermen van de nieuwe examenprogramma's in hun boeken aan de orde komen en anderzijds dat met de boeken zelfstandig gewerkt of zelfs geleerd kan worden.
Voor mij als auteur van Taaldaden hield dit in dat er een totaal nieuwe methode ontwikkeld moest worden. Hierna probeer ik duidelijk te maken:
hoe de eindtermen in de opvolger van Taaldaden zijn vertaald (in het bijzonder de nieuwe eindtermen voor schrijven, mondelinge vaardigheden en argumentatie; in dit verband sta ik ook stil bij de accentverschuiving naar vaardighedenonderwijs);
hoe de nieuwe didactiek van zelfstandig werken/leren, vorm is gegeven.
-
Het keurslijf van de Tweede Fase
De tijden veranderen, niet in de laatste plaats voor een schoolboekauteur. Ga maar na hoe een boek als Taaldaden nog gemaakt kon worden. Dit boek verscheen voor het eerst in 1979, maar ik begon er al aan rond 1970. Die tijd leek wel wat op de onze. Zoals straks de Tweede Fase wordt ingevoerd, zo was toen net de mammoetwet - eveneens met nieuwe examenprogramma's -in werking getreden. Zoals straks het studiehuis wordt ingericht, vonden ook toen allerlei onderwijsvernieuwingen plaats. Ik noem voor de bovenbouw havo-vwo van het schoolvak Nederlands de introductie van gericht schrijven. Toch hadden die veranderingen destijds in de verste verte niet dezelfde gevolgen voor mij en andere schoolboekauteurs.
Ik kan me bijvoorbeeld niet herinneren dat de mammoetwet enige rol heeft gespeeld bij het ontwikkelen van Taaldaden. In feite waren de mammoet-eindexamenprogramma's nog zo ouderwets vaag dat zij nauwelijks dicteerden wat er in een leerboek voor de bovenbouw besproken moest worden. Alleen in zeer algemene termen, zoals 'de examenkandidaat wordt geacht een samenvatting te kunnen maken en een titelopstel te kunnen schrijven', gaven zij enige richting aan de te behandelen stof. Ook het meer algemene onderwijsbeleid van de overheid had toen, uitgezonderd het al genoemde gericht schrijven met zijn didactische consequenties, geen
49