taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Conferentiebundels

Bundel 11

Elfde conferentie Het Schoolvak Nederlands
P.M. Nieuwenhuijsen
1998
210 pagina's

tekst lezen met de opdracht moeilijke woorden, zinnen of overgangen te noteren. Bij het bespreken zal hij de afweging maken aan welke problemen hij aandacht besteedt en aan welke nauwelijks of niet. En hij zal tenslotte bij de verwerking beslissen welke opdrachten hij negeert, verplaatst, verandert of toevoegt, zodat het script/het verhaal duidelijk is.

Het stofschema is in de tekstwetenschap een wat bekendere term, maar wordt in de didactische literatuur voor het basisonderwijs niet gebruikt. Met stofschema wordt bedoeld de kennisonderdelen die in een referentiële tekst over een onderwerp ter sprake worden gebracht. Er bestaan veel stofschema's, waar een ervaren lezer graag gebruik van maakt. Zo bevat een filmrecensie informatie over: de acteurs, de regisseur, de productie, het verhaal, de beeldtaal, de filmstroming, de mening van de recensent. Twee recensies kunnen het zelfde stofschema bevatten, maar kunneneen volkomen verschillende volgorde hebben en een totaal verschillende samenhang.

Ook teksten in de basisschool bieden mogelijkheden om stofschema's te ontdekken. Het ontdekken van zo'n stofschema kan via een raadspelletje. Zo gebruiken we in de opleiding: wat voor dier is een alopex? Je mag alleen ja/nee-vragen stellen. Van iedere vraag wordt het kernwoord op het bord geschreven en voorzien naar gelang het antwoord met een - of een +. Er ontstaat een rij: staart+, bruin-, 4 poten+, Nederland-, bos-, roofdier+, enz. Als het dier geraden is, kijken we naar, waar je eigenlijk naar vraagt, als je een dier wilt raden. De woorden op het bord worden gerubriceerd en voorzien van de kopjes: het uiterlijk, het gedrag, de omgeving en de soort (eigenlijk de classificatie).

Op zich is het ontdekken van zo'n stofschema al een les, maar vervolgens kan de leraar in een aantal lessen het gemak van het lezen van een tekst aan de hand van een stofschema verduidelijken. Bij eenvoudige teksten kunnen de leerlingen met viltstiften (rood, geel en blauw) kleuren en ontdekken dat sommige zinnen paars, groen of oranje worden, omdat er in die zin een overstap van de ene rubriek naar de andere gemaakt wordt. Het stofschema kan ook dienen om de inhoudsopgave van bijvoorbeeld een informatieboekje gerichter te lezen, of een vergelijking maken tussen verschillende boekjes over het houden van een huisdier.

Maar terug naar het activeren van voorkennis. Met behulp van een stofschema kunnen leerlingen veel gerichter hun voorkennis over een onderwerp in kaart brengen. Vervolgens kunnen ze er vragen aan verbinden en dan pas de tekst lezen. De gelezen informatie kan nu toegevoegd worden aan het deels ingevulde stofschema, dat niet alleen uit woorden, maar ook uit tekeningetjes, een tijdbalk en een grafiek kan bestaan.

De genoemde mentale kaders, waarin je voorkennis kunt activeren, leveren een belangrijke bijdrage tot een beter leesbegrip niet alleen in de eerste fase van een les, maar ook in de volgende fasen.

Bibliografie

Boland, J., Nascholing begrijpend lezen. SLO, 1995 Drop, W., Instrumentele tekstanalyse. Groningen, 1997 Taalkabaal (uit het hoofd geciteerd).

60

© Nederlandse Taalunie, 2000-2009 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties