taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Elfde conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 11 | Elfde conferentie Het Schoolvak Nederlands (1998)


Bijdrage: Grammatica voor beginnende NT2-ers (Wim van Calcar & Hanneke Lentz)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Werkwoorden geven uitdrukking aan handelingen, gebeurtenissen en toestanden. Handelingen, gebeurtenissen en toestanden komen pas tot werkelijkheid dankzij personen en zaken. Wil iemand lopen tot werkelijkheid maken, dan zal hij iemand moeten laten lopen, wil hij slaan, dan zal hij iemand moeten slaan en wil hij geven in de werkelijkheid laten bestaan, dan heeft hij daarvoor drie 'spelers' nodig: dit meisje geeft dat potlood aan die jongen. Talig wil dit zeggen, dat een werkwoord personen en zaken aan zich bindt in de vorm van zelfstandige naamwoorden en voornaamwoorden. Dezelfde voorstelling van zaken geldt voor de taalverwerving. Een kind dat taal verwerft, handelt met de werkelijkheid en laat dat in de fase van de tweewoordzin blijken door het gebruik van werkwoorden, vergezeld van degene die handelt of van degene met wie gehandeld wordt. Het aanvangspunt van een taalverwervingsgrammatica is daarom het werkwoord samen met de aanvullingen die het aan zich bindt. In schema:

* lopen   > iemand loopt

* slaan   > iemand slaat iemand

* verlangen > iemand verlangt naar iemand of iets * geven   > iemand geeft (aan) iemand iets.

Dit schema houdt in: een werkwoord als lopen bindt één aanvulling, één betrokkene. Een werkwoord als slaan bindt twee aanvullingen, twee betrokkenen. Een werkwoord als geven bindt drie aanvullingen. Het resultaat noemen we de modelzin: de zin waarnaar andere zinnen gemodelleerd worden.

Zodra lopen enz. werkelijkheid is geworden, kan een taalgebruiker deze werkelijkheid inbedden in een groter geheel: waarom slaat de persoon in kwestie, hoe slaat hij, met welk gevolg slaat hij? We zien hetzelfde in de taalverwerving. Het taallerend kind zegt pop slaan en de ouder vraagt: waarom sla je de pop of wijst op de gevolgen: je doet de pop pijn. In schema:

* slaan > iemand   slaat iemand (nodig)

*   het meisje   haar vriend (invulling)

  • in het Vondelpark (situering)

  • om hem mores te leren (doel)

  • wanneer hij onaardig is (voorwaarde).

Dit schema houdt in: als 'slaan' tot de werkelijkheid behoort, kan het verbanden aangaan met zaken als plaats, doel en voorwaarde of omstandigheid.

De twee schema's illustreren in wezen de inrichting van de grammatica die ingezet wordt in het taalonderwijs dat wij beogen. Maar er komt iets bij. Wie naar de twee schema's kijkt, ziet meer dan wat er letterlijk staat. Dat 'meer' betreft de regels die tot uitdrukking komen. Deze regels maken wij in de taalverwervingsgrammatica zichtbaar met behulp van een eenvoudig coderingssysteem, op de volgende wijze. Omwille van de demonstratie nemen we nu andere werkwoorden.

Iemand schenkt iemand iets in. Schenkt iemand iemand iets in?

Dat wil zeggen:

* het werkwoord is een hokje

62

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties