* de iemand of iets die er altijd bij hoort, is een streep
* de iemand of iets die vervolgens nog nodig is, zijn twee strepen
* één streep en één hokje staan altijd naast elkaar
* het hokje komt altijd op de eerste of tweede plaats
* andere hokjes staan achteraan
Nieuwe betekenisverbanden worden gemerkt door een golf waaronder de betekenis gegeven wordt.
Het meisje koopt morgen bij Halfords een fiets
wanneer? waar?
tijd plaats
Volgende week fietst zij met mij naar haar broer
wanneer? met wie? waarheen?
tijd gezelschap richting
Aandacht verdient dat de gebruikte codes niet een zoveelste didactisering van het ontleden zijn. Er wordt immers niet ontleed, waarna de ontledingen een streep (of een bepaald kleurtje) krijgen, er wordt gebouwd met betekeniselementen. Deze elementen zijn bij voorbaat gecodeerd: een werkwoord is een vierkant, de eerste iemand of iets is één streep, enz. De codes maken zichtbaar wat in de zin aan betekenissen en ordening van betekenissen aanwezig is. Ze maken die ordening van meet af aan voor leerlingen herkenbaar en bespreekbaar. (In een later stadium kunnen de coderingstekens voor zover nodig met de klassieke grammaticale termen worden gelabeld.)
2.2. De werkelijkheid en haar vertaling
Het probleem dat een taalverwervingsgrammatica moet oplossen, luidt: hoe brengen we de werkelijkheid die in het hoofd van de meertalige leerling zit, over in het Nederlands. Tweede-taalverwervers weten dat we in zinnen communiceren en dat die zinnen informatie bevatten over personen en zaken, tijd en plaats, oorzaak en gevolg. Van die kennis geven ze blijk wanneer ze hun eigen taal gebruiken. Wanneer ze Nederlands willen spreken, hoeven ze bij gevolg niet te leren, hoe de werkelijkheid in elkaar zit, maar hoe zij dat in het Nederlands zeggen en hoe het een en ander in het Nederlands geordend is. Een taalverwervingsgrammatica moet ze gelegenheid geven hun kennis van de werkelijkheid te gebruiken wanneer ze Nederlands leren. Dat zal het geval zijn wanneer de grammatica uitgaat van het werkwoord en daaraan de overige informatie verbindt.
Bijvoorbeeld: zij kennen het Nederlandse woord voor buigen niet. De leraar voert de handeling uit die door het woord wordt uitgedrukt. Hij buigt zelf (buiging maken), hij buigt zijn hoofd of zijn lichaam (iets buigen), maar hij buigt ook een koperen pijp of (als letterlijk meer voor de hand liggend) een boek (iets buigen), en toont het verschil met barsten (barstjes vertonen, iets barst) en breken (iets breken, stuk maken). Ze weten perfect wat hij doet en zij kunnen zichzelf er ook vragen bij stellen, die ze afhankelijk van de situatie het ene of het andere antwoord kunnen geven: waarom doet hij dat? Hoe doet hij dat? Wat is het effect ervan? Wat de meertalige leerling nu kan leren, is hoe het Nederlands die handelingen noemt, welke woorden men kan invullen voor de bedoelde iemand of iets en hoe de verschillende antwoorden vorm gegeven wordt.
63