voor allerlei handelingen, gebeurtenissen en toestanden. In de gestuurde taalverwerving wordt hun eveneens gevraagd die werkwoorden te gebruiken in een zin met iemand en iets. Op deze wijze kunnen zij de proef op de som nemen: hebben zij de juiste betekenis opgepakt? Tegelijk leren ze verbinden wat tot dan toe onverbonden was, (want door het toeval opgepikt): ze maken nieuwe verbindingen van naamwoorden en werkwoorden en moeten ervaren, of dat in het Nederlands mogelijk is.
Voorbeeld (Berlage)
Aan de leerlingen werd gevraagd, iets te schrijven over een onderwerp. Daarvoor krijgen ze een lijst werkwoorden die ze kunnen aanvullen met eigen werkwoorden. Ze plaatsen bij het eerste werkwoord de iemand of iets die daarbij hoort. Ze vullen die in, naar keuze. Ze stellen de vragen naar tijd, plaats, hoedanigheid, oorzaak of gevolg en zien, of ze antwoord kunnen geven. Ze gaan door met het tweede werkwoord, maar zo, dat er samenhang ontstaat.
|
fietsen - |
iemand fietst
? wanneer? waar? hoe? waarheen? waarom?
Ahmed vandaag - hard naar school omdat we laat waren
mijn broer om 12 uur - rustig naar de bakker voor een broodje
mijn broer en ik op het trottoir - om te pesten |
ontmoeten > iemand ontmoet iemand
enz. enz. enz. enz. enz.
Ter ondersteuning van zo'n opdracht krijgen ze een handelingsmodel, een aantal stappen dat hen helpt methodisch te werk te gaan.
Handelingsmodel
-
Vul de iemand of iets in die nodig zijn bij het werkwoord
-
Stel aan het resultaat de vragen waar/wanneer/hoe/waarom/enz.
-
Bedenk een antwoord op die vragen.
Voorbeeld (Nova, les 18).
Doel: zinnen bouwen met behulp van het handelingsmodel. Leerlingen krijgen nog veel steun, met de mogelijkheid voor differentiatie. Coderen dient als controle.
Inhoudelijk materiaal: strip 'Het water was veel te diep'(Siz). Na bekijken, bespreken en controleren van betekenissen krijgen 11. schrijfopdracht: bij ieder plaatje aantal zinnen bouwen, als volgt.
1. 2.
staan I zitten + lezen II
model: model:
wie? wie?
wanneer? wat?
waar? waar?
Zin- Zin.
De actieve woordenschat van een aantal leerlingen is nog niet toereikend voor deze opdracht; zij krijgen een blad met 'rijtjes' om antwoorden uit te kiezen, als volgt:
wie/wat? wanneer? waar?
een meisje nu in het water
de jongen op een dag aan de overkant
een grote steen weer op de steen
enz. enz. enz.
65