taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Conferentiebundels

Bundel 11

Elfde conferentie Het Schoolvak Nederlands
P.M. Nieuwenhuijsen
1998
210 pagina's

2.5. De grammatica als controle

Uit het hiervoor gaande kan al blijken, dat net als in de moedertaalverwerving eerst de semantiek komt, vervolgens de syntaxis en pas daarna de morfologie. De leerlingen kennen vanuit hun moedertaal de informatie-eenheden van de zin: handeling en betrokkenen, plaats, tijd, oorzaak & gevolg. Daar leren ze de Nederlandse vormen voor, op straat en op school. Op school wordt hun kennis uitgetest en vergroot, zoals in bovenstaand voorbeeld. Ze plaatsen de informatieeenheden in een bepaalde volgorde en leren in vervolg daarop wat een goede volgorde in het Nederlands is. Pas daarna wordt hun iets geleerd over de juiste vorm van werkwoord en naamwoord (morfologie).

Door van het begin af aan op grond van hun kennis van de werkelijkheid zelf zinnen te bouwen en in het verlengde daarvan aandacht te schenken aan de volgorde, kunnen zij, mede dankzij het handelingsmodel, ook de zinnen die zij spontaan uiten, met name in hun schriftelijk werk, aan controle onderwerpen. Ze kunnen immers de spontaan geuite zin vanuit het werkwoord opnieuw opbouwen en zien, of ze zich aan de volgorderegels hebben gehouden waarmee ze (voor zo ver relevant voor hun taalniveau) intussen kennis hebben gemaakt. Zo kunnen zij met de tot nog toe gegeven regels de volgende door hen gemaakte zinnen controleren en verbeteren.

Voorbeeld (Berlage)

* Mijn zus altijd belt haar vriend > iemand belt iemand

* Om elf uur zij gaan naar de disco om te dansen >iemand gaat> .. gaat iemand

* Heel voorzichtig pakt in mijn moeder alles >iemand pakt iets in ..>pakt iemand iets in

Degenen onder hen die de volgende zinnen produceerden, stuitten op een nieuwe regel.

Voorbeeld (Berlage)

Hij zei dat hij komt vanavond langs

Zij vraagt of ik wil meegaan met haar

Zij heeft haast omdat ze moet ons brengen naar de stad

* Na woorden als (om)dat, (door)dat, wanneer, als, hoewel staan álle hokjes achteraan.

(Hij zei) dat hij komt vanavond langs > iemand komt langs > dat iemand langs komt

(Zij vraagt) of ik wil meegaan met haar >iemand wil met haar meegaan > of iemand met haar wil meegaan

(Zij heeft haast) omdat ze moet ons brengen naar de stad> iemand moet ons naar de stad brengen > omdat iemand ons naar de stad moet brengen

Wanneer in hun zinnen aanvullingen van plaats, tijd enz. zijn opgenomen in een ongewone volgorde, dan kunnen aanvullende regels gegeven worden in termen van de betekenissen die ze kennen.

Voorbeeld (Berlage)

Ik ga naar de bioscoop elke zondag heel blij richting   tijd   hoedanigheid

Hij gaat uit met de auto   meestal

middel   frequentie, tijd

Zij zat   stil   in de stoel   de hele tijd

hoed. plaats   tijd

Mijn moeder en broer gaan verhuizen naar de USA   de volgende week

richting   tijd

66

© Nederlandse Taalunie, 2000-2009 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties