taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Elfde conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 11 | Elfde conferentie Het Schoolvak Nederlands (1998)


Bijdrage: Twijfels bij het leesdossier (en enige andere zaken) (J.A.Dautzenberg)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Daarnaast moet je die 'leesverslagen' bekijken. Havisten hebben acht boeken, vwo'ers twaalf, dus ieder vier per jaar. Stel voor het beoordelen en bespreken van elk leesverslag twintig minuten, dan levert dat per leerling nog eens tachtig minuten werk op. Samen met het vorige is dit dus 140 minuten. Hierbij heb ik leesautobiografie noch balansverslag meegeteld. Je kunt ervan uitgaat dat je per jaar van elke leerling een van beide werkstukken moet bekijken. Beide zijn natuurlijk veel langer dan de leesverslagen, dus stel het begeleiden, beoordelen en bespreken daarvan op elk 30 minuten.

Samen met het voorgaande wordt dit: 240 maal 170 minuten is 680 klokuren, - dus ruimschoots meer dan éénderde van een volledige baan! En dan heb ik werkelijk heel zuinig geteld. Zo praat ik niet eens over her-clustering bij de overgang naar een volgend jaar, want dan moet je je ineens ook nog een stel leesdossiers eigen maken die voor een deel al door een collega begeleid zijn.

Deze berekening lijkt me een aardige inbreng bij toekomstige discussies over de taakbelasting van de docenten in de Tweede Fase, - maar niemand is toch hopelijk zo dom om te denken dat de schoolleiding met deze getallen rekening zal houden bij het toebedelen van het aantal taken aan de neerlandici?

Als tweede is er de controle op overschrijven. Verreweg de meest gebruikte bron zal het leesdossier van een andere leerling zijn. En als iemand denkt: dat doen leerlingen niet, die hebben verantwoordelijkheidsgevoel genoeg om zelf hun leesdossier te maken, dan zit hij klaarblijkelijk niet in het onderwijs. Al die leesverslagen (analyses, vergelijking van bestaande recensies, zelf geprobeerde recensies, navertellingen van uittrekselboeken -navertellingen van navertellingen dus -, geleerde praat uit boeken van professoren, al deze en nog veel meer vreselijke teksten) zullen allemaal op de computer gemaakt moeten worden en dus op een schijfje gezet en dus hoeven ze het niet eens meer over te schrijven maar kunnen ze het gewoon inlezen.

En voor echte noodgevallen kunnen ze altijd nog iets downloaden van Internet. Op een nascholingsbijeenkomst vertelde een docent uit Het Gooi dat zijn school een web-site op Internet had en dat zijn leerlingen daar hun - gecorrigeerde - opstellen onderbrachten, want dat lijkt toch een beetje op echt publiceren en wie wil dat per slot van rekening niet?

Soms tracht men dit te voorkomen door een technisch truukje. Er is een encyclopedie op CD-rom verschenen, waarvan je niet zomaar iets kunt uitprinten, want als je dat doet, komt er automatisch ook een bronvermelding onder de tekst te staan. Alsof een leerling met maar ook maar een heel klein beetje verstand van tekstverwerken die er niet uit zou kunnen halen!

Is luiheid de enige reden voor dit gedrag? Bij sommige leerlingen natuurlijk wel, maar niet bij alle. De slimmeren hebben al gauw in de gaten dat het leesdossier een zogenaamd 'handelingsdeel' is, waarvoor ze geen cijfer krijgen maar dat 'naar behoren' in elkaar gezet moet zijn. Er is echter een heilige wet in het onderwijs: alles waar je geen cijfer voor krijgt, hoef je niet serieus te nemen (docenten van een vak als maatschappijleer weten hier alles van). In een razend tempo zal het leesdossier verworden tot een slordig bijeengeraapt en bijeengestolen bundeltje papier en al snel zullen er digitale leesdossiercentrales ontstaan waar je via je modem alles wat je nodig hebt, tegen een schappelijke vergoeding kunt kopen. En de

79

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties