Doorzoek alle bundels


Bundel 11 | Elfde conferentie Het Schoolvak Nederlands (1998)

Bijdrage: Het leesdossier in de Tweede Fase (Joop Dirksen)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Dat maakt dossiervorming noodzakelijk, en eigenlijk is het complete leesdossier onontbeerlijk om te kunnen constateren of de individuele leerling inderdaad literair competenter is geworden tijdens en door het literatuuronderwijs van de Tweede Fase.

Als iedere leerling aan het begin van die Tweede Fase zijn leesautobiografie schrijft, krijgt de begeleidende docent een duidelijk beeld van de beginsituatie van iedere afzonderlijke leerling. Het zal duidelijk zijn dat die beginsituaties aanzienlijk kunnen verschillen. Wil men waarmaken dat het literatuuronderwijs werkt aan de literaire competentie van de leerling, dan zal iedere leerling op zijn eigen niveau gestimuleerden begeleid moeten worden bij het opdoen van ervaringen met literatuur, bij het ontwikkelen van zijn smaak; dan mag ook van iedere leerling, of hij al literatuurliefhebber was of (nog!) niet, verwacht worden dat hij reflecteert over wat hij meemaakt, ervaart, leert in de werelden die hij in de verschillende literaire werken tegenkomt..

Een balansverslag is bedoeld als reflectiemoment, en als tegen het einde van de Tweede Fase de leerling de eindbalans op moet maken van zijn bezig zijn met literatuur, is de tussen begin en eind doorgemaakte ontwikkeling helder af te lezen uit zijn leesdossier. Wie dus als sectie of als school kiest voor literatuuronderwijs dat naast cultuuroverdracht ook het aspect van de individuele ontplooiing aandacht wil geven, ontkomt er mijns inziens niet aan om met het complete leesdossier te werken.

Enkele vragen die veelvuldig gesteld worden als het leesdossier ter sprake komt, betreffen de fraudegevoeligheid, de werkdruk voor de docent, het aspect van de smaakontwikkeling, en vooral ook in hoeverre leerlingen in staat en bereid zijn op een acceptabel niveau hun lees- en leerervaringen te formuleren.

Om met dat laatste te beginnen: natuurlijk moet men in de basisvorming al starten met het laten schrijven van leesverslagen. De leerling die stapje voor stapje getraind is in het praten en schrijven over jeugdboeken (aan de hand van opvallende passages, sympathieke en onsympathieke verhaalpersonages etc.) is uitstekend in staat om een leesverslag te schrijven. Zo'n leesverslag verschilt overigens fundamenteel van het traditionele boekverslag of uittrekselannex-structuuranalyse. Het traditionele uittreksel of boekverslag gaat uit van de onderhand wel als onjuist geaccepteerde visie dat een literair werk een objectief te beschrijven grootheid zou zijn (`Dit is het thema, dat is de interpretatie'). De subjectieve wandeling in de wereld die een literair auteur heeft opgeroepen, levert bij alle wandelaars natuurlijk wel gedeeltelijk dezelfde reacties op, maar iedereen wandelt uiteindelijk op zijn eigen individuele wijze en bekijkt de wereld waarin hij rondloopt door zijn eigen unieke ogenpaar. Een verslag van zo'n wandeling is dus voor iedere wandelaar weer anders, en dat maakt het meteen ook erg boeiend om elkaars wandelverslag te lezen: wat de een meteen is opgevallen, heeft de ander amper gezien, maar die heeft op zijn beurt weer ingespannen naar andere zaken gekeken.

Een leesverslag is dus de weergave van de strikt individuele ervaringen van de lezer tijdens en na het lezen van het literaire werk: van zijn verwachtingen, meningen en gevoelens rondom het werk.

Dit maakt ook meteen duidelijk waarom het fraudeprobleem, dat door veel docenten meteen genoemd wordt als het leesdossier ter sprake komt, alleszins beperkt zal (kunnen) blijven.

86