taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Elfde conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 11 | Elfde conferentie Het Schoolvak Nederlands (1998)


Bijdrage: Leerstof voor taalbeschouwingsonderwijs: wat bevatten taalmethoden en de 'blauwdruk' van de SLO? (Amos van Gelderen)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Bij subdoel a 'evolueert' het leren van begrippen als letter, klank en woord in de groepen 1 en 2, via de benoeming van letters in groepen 3 en 4, het opzeggen van het alfabet in groepen 5 en 6, tot het leren opzoeken van alfabetisch geordende informatie in de groepen 7 en 8.

Bij subdoel b worden in de groepen 1 en 2 enkele tekensystemen (bijvoorbeeld: gebarentaal en mimiek) naast de geschreven en gesproken taal geïntroduceerd. In de groepen 3 en 4 leren de kinderen voorbeelden waarin deze systemen een belangrijke rol spelen in het dagelijks leven (bijvoorbeeld: verkeersborden, toneel). In de groepen 5 en 6 leren de kinderen (met hulp) uit te leggen wat bepaalde symbolen uit de tekensystemen precies betekenen (een relatie met het woordenschatonderwijs ligt voor de hand). In de groepen 7 en 8 is het streefdoel bijna identiek: leerlingen leren (zonder hulp) de betekenis van symbolen uit te leggen.

Bij subdoel c is er sprake van het leren onderscheiden van steeds meer elementen waaruit woorden en zinnen zijn opgebouwd. In de groepen 1 en 2 moeten leerlingen zich bewust worden van allerlei vormaspecten van de taal, zoals uitspraak, correctheid, intonatie en de expressieve betekenis van die vormaspecten (bijvoorbeeld met drama). In de groepen 3 en 4 leren de leerlingen (met hulp) afzonderlijke letters, lettergrepen, klanken en woorden onderscheiden in gesproken en geschreven taal. In de groepen 5 en 6 moeten ze leren dat zelfstandig te doen en in schriftelijke teksten (met hulp) de structuur van eenvoudige samengestelde zinnen aan te duiden. In de groepen 7 en 8 moeten leerlingen dat laatste zelfstandig leren doen en tevens zelf voorbeelden van analoge zinnen geven.

Ook bij de subdoelen d en e is te zien dat diverse manieren zijn gebruikt om een systematische opbouw in de moeilijkheid van de leerstof voor taalbeschouwing aan te brengen. Bij d starten de leerlingen met het opdoen van ervaring met rijmen en verzen en het voeren van gesprekken daarover. In de twee laatste leerjaren leren ze klankverwantschappen tussen woorden aan te duiden en worden ze bewust gemaakt van ritmische eigenschappen van taal. Bij subdoel e gaat het om het gebruik van allerlei signalen die behulpzaam zijn bij het lezen en begrijpen van tekst. Het trefwoord 'leestekens' moet dus letterlijk genomen worden en niet in de beperkte betekenis van interpunctie. Vanaf de groepen 3 en 4 moeten leerlingen de functies en namen leren van diverse interpunctie-tekens en de betekenis van diverse woorden die belangrijk zijn voor het leesonderwijs. In de latere leerjaren neemt het aantal te leren tekens en begrippen toe, alsmede de zelfstandigheid waarmee leerlingen de functies omschrijven.

99

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties