taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Twaalfde conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 12 | Twaalfde conferentie Het Schoolvak Nederlands (1999)


Bijdrage: Identificatiemogelijkheden en emotionele spanning in jeugdliteraire teksten als een brug naar leesbevordering? (Ineke Jansen-Guldemond)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

IDENTIFICATIEMOGELIJKHEDEN EN EMOTIONELE SPANNING IN JEUGDLITERATUUR   269

  1. Elf leerlingen hebben bewondering voor Mark, de hoofdpersoon in Spoorloos verdwenen van Gijs Wanders. Mark is op zoek naar zijn vader, die is verdwenen in een Afrikaans land waar burgeroorlog heerst. Acht leerlingen willen het hele boek lezen, omdat ze vermoeden dat het spannend zal zijn. Twee leerlingen willen niet lezen over geweld en twee anderen lijkt het verhaal met die vreemde namen maar raar. De leerlingen krijgen het eind te lezen. Zes leerlingen vinden het jammer dat ze nu weten hoe het afloopt; vijf zijn blij te weten dat het goed afloopt en één heeft geen mening.

  2. Wanneer de leerlingen gevraagd wordt welk fragment ze het mooist vonden en welk het lelijkst, blijkt dat We redden het wel door twee meisjes en twee jongens uitgekozen wordt als mooiste boek, maar dat twee meisjes het ook bestempelen als het lelijkste boek. Zes jongens en twee meisjes kiezen Spoorloos verdwenen uit als mooiste boek, maar ook hier kiezen twee meisjes dit boek uit als het lelijkste.

  3. Bij de beschrijving van hun meest ideale hoofdpersoon, zeggen tien leerlingen dat hij van hun eigen leeftijd moet zijn; twee vinden dat hij iets ouder mag zijn. Negen leerlingen menen dat de hoofdpersoon van hun eigen sekse moet zijn en drie maakt het niet uit of het een meisje of een jongen is. Zes leerlingen zien het liefst dat het verhaal zich in hun eigen land afspeelt, vijf leerlingen vinden het niet belangrijk waar de plaats van handeling is en één geeft aan dat het verhaal zich juist niet in België moet afspelen.

Tot zover een aantal gegevens die de interviews hebben opgeleverd. Er valt natuurlijk nog veel meer te vertellen, maar opvallend voor mij is toch dat er maar weinig punten zijn waar alle leerlingen hetzelfde over dachten. Ik heb werkelijk het gevoel dat ik twaalf unieke persoontjes geïnterviewd heb.

3.2 Opzet van de pilotstudie

In het studiejaar 1998-99 vindt een pilotstudie plaats in twee klassen. Een jaar lang worden 26 leerlingen in het tweede leerjaar van een school met bovenbouw voor bso/tso in Hoogstraten en 24 leerlingen in het tweede leerjaar van een vbo/mavo-school in Tilburg gevolgd. Verdeeld over het jaar krijgen de leerlingen ongeveer zesmaal een tekstfragment te lezen; daar maken zij tekstervarende opdrachten bij en/of zij vullen er vragenlijsten bij in. Het is de bedoeling de waardering van tekstfragmenten te weten te komen; daarbij staan de mogelijkheid tot identificatie met een romanpersonage en de emotionele spanning in de tekst centraal. Er zullen driemaal bij alle meewerkende leerlingen enquêtes afgenomen worden. Het doel is inzicht te krijgen in (eventuele verschuivingen in) leesgewoonte en -belangstelling.

In deze bijdrage rapporteer ik uitsluitend over de eerste test van de pilotstudie. Eerst kregen de leerlingen een enquête naar leesgewoonten in te vullen. Daarna vroeg ik hen vragen te beantwoorden bij een tekstfragment. Voor dat fragment is mijn keus gevallen op Lefgozers van Valentine Kalwij (Groningen, 1995, p. 5-8).

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties