taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Conferentiebundels

Bundel 12

Twaalfde conferentie Het Schoolvak Nederlands
Rita Rymenans en Hugo de Jonghe
1999
468 pagina's

30   Nanette Bienfait & Theun Meestringa

4 WIE KAN FEEDBACK GEVEN?

In een klassituatie zijn er drie potentiële bronnen voor feedback: de leerling zelf, de klasgenoten en de docent c.q. de methode. In methodes Nederlands voor de basisvorming worden deze bronnen maar ten dele benut. Zelfbeoordeling van de aanpak en de vorderingen blijft vrijwel geheel achterwege, peerbeoordeling wordt gebruikt bij enkele productieve taaltaken zoals spreekbeurt en zakelijke brief, en voor de docentbeoordeling zijn schriftelijke 'diagnostische' en eindtoetsen opgenomen waarin voornamelijk deelvaardigheden getoetst worden. En dat is jammer want juist door het inschakelen van de leerling zelf en klasgenoten kan het aantal feedbackmomenten enorm groeien. Bovendien bevordert dat zelfstandig leren: leerlingen stellen zichzelf vragen en bewaken zo hun eigen leerproces.

In Schoolslag is ernaar gestreefd om de drie bronnen evenwichtig in te zetten. Zo krijgen leerlingen in het voorbeeld van de persoonlijke brief aandachtspunten waar ze hun eigen product aan moeten toetsen. In opdracht 25 krijgen ze van een klasgenoot feedback op de vorm en inhoud van hun brief. En ook bij bijvoorbeeld groepswerk worden leerlingen gestimuleerd om elkaar feedback te geven. De docent blijft een belangrijke bron voor feedback na de toets en vanwege bijvoorbeeld de observatie van spreektaken.

5 WANNEER HEBBEN LEERLINGEN FEEDBACK NODIG?

Ruwweg kunnen leerlingen op drie momenten feedback krijgen: voor, tijdens en na het werken aan een taak. Kortas & Meestringa (1997) geven het volgende overzicht van vragen die in dit verband tijdens de verschillende fasen richting kunnen geven aan de feedback:

VOORAF (afstemmen)

  •   Waar gaat het om?

  •   Wat weet/kan ik?

  •   Wat wil/moet ik leren? Hoe ga ik dat leren?

TIJDENS (verwerven en reguleren)

  •   Hoe bereik ik de normen?

  •   Ben ik op de goede weg?

  •   Hoe kan ik zien dat ik aan de criteria voldoe?

ACHTERAF (evalueren)

  •   Wat wilde/moest ik leren?

  •   Hoe wilde ik dat doen?

  •   Is het gelukt? Hoe weet ik dat?

  •   Wat leer ik hiervan voor de volgende keer?

© Nederlandse Taalunie, 2000-2009 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties