taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Twaalfde conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 12 | Twaalfde conferentie Het Schoolvak Nederlands (1999)


Bijdrage: Problemen met fonologisch decoderen bij beginnende lezertjes. Gooi het kind niet met het badwater weg! (Dominiek Sandra)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

PROBLEMEN MET FONOLOGISCH DECODEREN BIJ BEGINNENDE LEZERTJES   339

De omzetting van grafemen naar fonemen is een kwestie van associatief leren en lijkt dus op het eerste gezicht op alle andere leertaken van dit type die het kind al achter zich heeft liggen (bijvoorbeeld het leren van woorden voor dingen). Toch gaat het hier om een bijzonder complexe leertaak omdat het een dertigtal grafemen betreft (laten we de digrafen niet vergeten zoals de oe, eu, au, ei, aa, enz.), die onderling veel sterker op elkaar lijken dan doorgaans het geval is in de associatieve leertaken waarmee kinderen worden geconfronteerd (bijvoorbeeld b-d-p; v-w; m-n-h).

De synthese van de opeenvolgende fonemen in een woord stelt op haar beurt specifieke eisen: een goed geheugen, zowel voor de individuele fonemen als voor de specifieke volgorde waarin ze optreden, én een goed ontwikkeld fonologisch bewustzijn. Met de laatste term wordt verwezen naar de vaardigheid om fonemen te manipuleren (bijvoorbeeld het weglaten van een foneem in een woord, het integreren van losse fonemen, enz.) Hoewel de manipulatie van fonemen voor volwassenen evident lijkt, is dat voor kinderen zeker niet het geval. Kinderen die nog niet kunnen lezen, vinden het bijvoorbeeld bijzonder moeilijk om een woord te herhalen waaruit ze een vooraf gespecificeerde klank moeten weglaten (bijvoorbeeld mos zonder m). Ze kunnen woorden daarentegen wel op syllabeniveau manipuleren (bijvoorbeeld splitsen). Alles wijst erop dat het foneemniveau bijzonder abstract is en dat er een taalbeschouwingsniveau aan beantwoordt dat expliciet getraind moet worden.

Naast de eisen op het vlak van opslag in het langetermijngeheugen (associatief leren) en in het werkgeheugen (onthouden van de fonemen en de foneemvolgorde) worden bovendien ook nog eisen gesteld aan de snelheid waarmee de deeloperaties worden uitgevoerd. De identificatie van de fonemen en hun onderlinge synthese zijn processen die snel moeten worden uitgevoerd om een redelijk leestempo te kunnen ontwikkelen. En dat leestempo is echt wel noodzakelijk. Wie immers te traag leest, riskeert te veel aandacht te besteden aan de fonologische processen en dreigt in zijn werkgeheugen te weinig 'ruimte' over te houden voor de betekenis van de tekst.

Wie te traag blijft lezen, zal de leesactiviteit ook als bijzonder cognitief belastend ervaren en er weinlg plezier aan overhouden. Het kost die lezertjes dan zoveel moeite om tot tekstbegrip te komen dat ze niet meer gemotiveerd zijn om ooit zelf een boek te lezen. Op die manier kan de onderwijsenergie die in het fonologisch decoderen wordt geïnvesteerd, zich tegen tekstbegrip en leesplezier keren, waardoor men niet het gewenste onderwijsresultaat verwerft: technisch goede lezertjes maar slechte begrijpers of lezertjes die een hekel hebben aan het lezen van teksten. Bovendien blijft een percentage lezertjes langdurig problemen ondervinden met de verklanking van geschreven woorden.

3 EN TOCH IS FONOLOGISCH DECODEREN NOODZAKELIJK

Tegen de achtergrond van het voorafgaande is het gemakkelijk te begrijpen waarom leren lezen een onderwijsprobleem vormt dat blijvend de aandacht van onderwijzers en onderzoekers opeist. Vanuit puur cognitief standpunt is het aanleggen van een verklankingsroute, met de erbij horende vaardigheden van grafeem-foneemomzetting en foneemsynthese, de meest efficiënte weg naar succesvol lezen. Vanuit het standpunt

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties