Bundel 13
Dertiende conferentie Het Schoolvak Nederlands
P.M. Nieuwenhuijsen
2000
156 pagina's
-
Contextuele en methodologische achtergronden
In het kader van onze afstudeerscriptie Nederlandse taal- en letterkunde, met als specialisatie vakdidactiek, voeren we een binnen de empirisch-interpretatieve traditie (cf. Sturm 1990, Van de Ven 1996: 239-259) vallend onderzoek uit naar een reeks korte stelvaardigheidsinstructies. We hebben vijf, zo'n twaalf minuten durende, stelinstructies van de docent onder studie, Willy Prins, geobserveerd en veldnotities en audio-opnames gemaakt. Tevens hebben we hem een open autobiografjsch interview afgenomen.
Willy Prins (1952) is adjunct-directeur van de in het Achterhoekse kerkdorp Pronsseld2 gevestigde basisschool St.-Petrus, en geeft les in groep 8. Naast zijn baan in het onderwijs is Willy freelance journalist bij een regionaal dagblad. Voor de reeks van vijf stelinstructies heeft hij zijn 31 leerlingen opgedeeld in vijf groepjes. Na elkaar worden de groepjes geïnstrueerd in het schrijven van respectievelijk een krantenbericht, verhalend titelopstel, stripverhaaltje, reclamefolder en een e-mail. De audio-opnames van deze lessen zijn geprotocolleerd. In deze bijdrage beschrijven we een eerste interpretatie van een interessant fragment uit een les, een zogeheten incident, dat afkomstig is uit de tweede stelinstructie. In die interpretatie draait het erom om begrijpelijk te maken wat er gebeurt.
-
Het "Als je te sáái begint, lezen de mensen het verhaal niet"-incident3
-
Waar ik op... Wat ik tot jullie zeggen wil, is dat als je een verháál schrijft, _ dan moet je een verhaal... Xxxx <Dat betekent:> gewoon een verhaal in drie stukken, moet je denken. Je moet een goed begin hebben. Een verhaal heeft een begin. Dat begin moet goed pakkend zijn. Xxx <Dat je zegt:> "HEE." De le... Ik schrijf het, maar iemand die mijn verhaal leest, wil het ook helemaal uitlezen, want het is een goed verhaal. Als je te sáái begint, lezen de mensen het verhaal niet. Dat is met een krant ook, hè? Als je, als je begint aan een verhaaltje en het verhaaltje dat er staat is niet interessant, lees je ook de rest van het verhaal niet meer. Met een boek is dat ook net zo. Klaas, hè? Pak je een boek uit de bieb: "0 niks aan." {Willy imiteert z'n leerling Klaas.) Zeg ik: "Waarom niet?" "Ja de eerste bladzijde, daar is al niks aan." {Willy imiteert wederom Klaas.}
Lj Ha ha.
-
Ik begin ook vaak, hè, als ik een boek lees, begin ik altijd op bladzijde veertig. Dan kijk ik of dat leuk is. Is dat niet leuk, doe ik het boek ook terug.
Lj Mm.
-
Het middenstuk van het verhaal, daar gebeurt het allemaal. De aardige, leuke, spannende dingen. En het verhaal heeft ook een slot. Ik moet kunnen merken dat het verhaal naar een einde gaat. En dat mag niet door eronder te zetten: EINDE.
2 De namen Willy Prins, Pronsseld en St-Petrusschool zijn gefingeerd.
3 Op het incident is de volgende legenda van toepassing:
Lj nog niet geïdentificeerde leerling
KAPITALEN luid spreken
Drie puntjes ... een taaluiting krijgt een andere wending, stopt of wordt onderbroken
Accolades } informatie over de intonatie of andere talige informatie
Xxx een moeilijk verstaanbare taaluiting, waarbij de schatting is dat één X één syllabe vertegenwoordigt
2