taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Conferentiebundels

Bundel 13

Dertiende conferentie Het Schoolvak Nederlands
P.M. Nieuwenhuijsen
2000
156 pagina's

Wat hebben we voor Nederlands gedaan? Voor Nederlands hebben we de balans tussen kennis en vaardigheden in evenwicht gebracht, zodat het vaardigheids- en het kennisgedeelte grosso modo evenveel aandacht krijgen. Ook in de totale beoordeling stellen we deze verhoudingen voor.

Om de beoordeling van de vaardigheden te vergemakkelijken doen we voorstellen van beoordelingscriteria en -schema's. Zo krijgt de leraar zicht op het beoordelingswerk, verliest hij minder tijd en is hij zo meer geneigd om aan spreken en luisteren te doen. Daarnaast krijgt hij ook tips voor summatieve evaluatie.

6.4 Zoveel als we kunnen suggereren we het gebruik van audiovisuele middelen om de lessen luisteren en spreken te ondersteunen. Gelukkig zijn de videorecorder en cd-speler al in de meeste scholen binnengedrongen, maar helaas is dat nog niet het geval in alle klasgroepen waar Nederlands gegeven wordt - en dat komt dan vooral door organisatieproblemen.

6.5 Bij het aanleren van onderdelen van luisteren en spreken maken we duidelijke parallellen met de strategieën in lees- en schrijfonderwijs. We hanteren een zelfde structuur om de samenhang en de overeenkomsten tussen de deelvaardigheden zichtbaar te maken. Wat ze al kennen van de lees- en schrijfstrategie, hoeven ze dan in luisteren en spreken niet meer te oefenen en omgekeerd idem.

6.7 We streven naar een weloverwogen leerproces en we proberen het ook zo te expliciteren, zodat de leerkrachten dit proces leren kennen, herkennen en leren hanteren tijdens en na de nascholing.

6.8 De rol van de leerkracht in ons lessenaanbod luisteren en spreken is die van de coach bij het leerproces. Hij is een soort sheepdog, een border collie, die de kudde begeleidt, de weg toont en ervoor zorgt dat alle schapen bij de kudde blijven. Als er eentje achterop geraakt, brengt bij het weer bij de anderen. De leerkracht is geen leider meer maar een begeleider. Hij staat niet meer voor de leerlingen, maar tussen de leerlingen. Hij zet ze aan het werk en begeleidt de strategie die moet leiden tot efficiënter luisteren en spreken. Deze houding sluit aan bij de evolutie naar het doe-onderwijs.

Daarbij aansluitend vinden wij het moeilijk om zelfstandig werken en zelfstandig leren binnen luisteren en spreken in te passen. Deze doelen zijn makkelijker in lees- en schrijfonderwijs te realiseren.

De leraar moet constant aanwezig zijn bij spreek- en luisteronderwijs, omdat het proces de meeste aandacht verdient. In vergelijking met lezen en schrijven kom je als leerkracht veel minder in contact met een eindproduct, een presentatie of een voor de klas gehouden interview niet te na gesproken.

Dus besteden we voldoende aandacht en bieden we kansen binnen ons lessenaanbod om over het proces feedback te geven om zo het leerproces grondig te bewaken en te sturen. Luisteren en spreken zijn uiteindelijk geen vrijblijvende vaardigheden.

6.9 We proberen ook aandacht te hebben voor de taalverwervingskant van de mondelinge taalvaardigheidstraining. Leerlingen moeten communicatief vaardig worden; dat betekent dat ze moeten leren inspelen op elkaar en goeie overgangen leren maken. De vraag hoe ze dat

29

© Nederlandse Taalunie, 2000-2009 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties