taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Conferentiebundels

Bundel 13

Dertiende conferentie Het Schoolvak Nederlands
P.M. Nieuwenhuijsen
2000
156 pagina's

(Uit lesobservatie 2, in het oorspronkelijk protocol 58, 17 februari 1998, 9.00-9.01 uur)

  1.    De lezer(es) bij de lurven gepakt

We keren even terug naar De wilde getallen. We kunnen ons voorstellen dat Willy Prins, nadat hij die roman uit de kast heeft gehaald en pagina veertig heeft gelezen het boek weer teruglegt. Daarbij zou hij z'n leerling Klaas kunnen citeren die in zo'n situatie zegt: "0, niks aan!" In dat geval mist Willy Prins volgens Arnold Heumakers veel. Die literair recensent van het NRC-boekenkatern begint z'n recensie van De wilde getallen als volgt:

"Het is altijd een genoegen om een vakman te lezen. Iemand die weet hoe hij een verhaal moet vertellen, die de lezer al op de eerste bladzijde bij de lurven pakt om hem pas op de laatste weer los te laten, zonder dat verveling of ergernis over kromme zinnen onderweg een kans heeft gekregen. Zo'n vakman is Philibert Schogt (1960) in zijn debuut De wilde getallen, dat een klassieke opbouw kent. De roman begint op een kritiek moment, in de volgende hoofdstukken wordt verteld hoe het zover heeft kunnen komen, en daarna komen we te weten hoe het afloopt, met nog een kleine verrassing aan het slot." (Heumakers, 1998, accentuering met cursieflettertype: MB & MB)

Er is een opvallende overeenkomst tussen wát Willy Prins tijdens de les zijn leerlingen vertelt en hóé Philibert Schogt, auteur van De wilde getallen, - volgens de visie van Arnold Heumakers - zijn boek heeft geschreven. Heumakers geeft een perfecte weergave van het credo van Willy Prins over een 'pakkend begin'. Willy gebruikt een dergelijke uitleg in zijn steldidactiek en zegt: "Als ik een boek lees, begin ik altijd op bladzijde veertig". Maar waarom geeft Willy deze leestip? In het voorbeeld van De wilde getallen hebben we laten zien, dat het absurd is om op grond van het openslaan en lezen van een pagina veertig te besluiten of je een boek al dan niet helemaal gaat lezen. Je 'valt' dan als het ware plotseling in een verhaal, zonder de context te kennen, en je kunt er verder niets mee. De absurditeit van Willy's uitspraak zit hem in het toeval dat juist pagina veertig spannend is. Het kan ook een andere willekeurige pagina uit een boek zijn. Waarschijnlijk gebruikt Willy de tip over pagina veertig om zijn leerlingen te vertellen dat een verhaal halverwege niet 'in moet zakken'. De aandacht van de lezer moet in het middenstuk van een verhaal vastgehouden worden. Want daar spelen de 'aardige, leuke dingen' zich af.

  1.    De aardige, leuke dingen: een aanzet tot een eerste interpretatie

In het incident begint Willy met: 'Waar ik op...". Dan stokken zijn woorden en zet hij zijn uiting voort als: 'Wat ik tot jullie zeggen wil." Waarom verbetert Willy zichzelf? De uiting 'Waar ik op...' bevat geen morfologische of syntactische fouten; als ze afgemaakt zou worden tot bijvoorbeeld 'Waar ik [u] op [wijzen wil], is het een volledig grammaticale Nederlandse constructie. Maar toch past Willy self-repairtoe. McLaughlin (1984: 208) merkt over repair op:

"(... T)hat what gets repaired in conversation is not always error; that repair is often found when to the objective eye there appears to be nothing wrong. Repair then addresses itself to felt or perceived violations of grammatical, syntactic, conversational(4), and societal(5) rules. An

4   Als conversationele regels (en assumpties) noemt McLaughlin (1984: 213-216): `conversational maxims of Quantity, Manner, Quality, Relevance or Antecedence'

5   Wat societal rules zijn, laat McLaughlin impliciet. Ook in een klassiek artikel over repair (Schlegloff et al., 1977), waar McLaughlin zich op baseert, worden deze regels niet genoemd.

3

© Nederlandse Taalunie, 2000-2009 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties