taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Conferentiebundels

Bundel 13

Dertiende conferentie Het Schoolvak Nederlands
P.M. Nieuwenhuijsen
2000
156 pagina's

item which to the hearer was perfectly acceptable may be selected by the speaker as a candidate for repair."

Zijn er grammaticale of syntactische overtredingen aan te wijzen in Willy's uiting? Volgens ons is dat niet het geval. Wijkt Willy om een conversationele reden van zijn eerste drie woorden af?

'Waar ik op...' wordt gevolgd door Wat ik tot jullie zeggen wil'. Het lijkt hier in eerste instantie te gaan om de intentie: 'Waar ik [u] op [wijzen wil]." Beide uitingen lijken sterk op elkaar. Toch verschillen ze van elkaar. In de vorm 'wat ik tot u zeggen wil' hoort Willy's eerste intentie meer thuis in het vocabulaire van een journalist die zijn volwassen toehoorders tijdens een lezing toespreekt dan van een schoolmeester op de basisschool die zijn klas instrueert. Wellicht heeft de repair iets te maken met het werk als journalist van meester Prins. Het lijkt ons daarom plausibel dat Willy hier (onbewust?) het register van journalist verwisselt met dat van schoolmeester. Dat verklaart dan de aanwezigheid van de repair. Willy overtreedt hier volgens ons een conversational rule (McLaughlin, 1984: 208). De conversationele regel die Willy overtreedt is Grice' Maxim of Manner. Door het gebruik van het vocabulaire van een journalist in een klassencontext, is Willy's taalgebruik niet "perspicuous" en vermijdt Willy geen "obscurity of expression" (Grice, 1975: 46).

Door de uiting 'Waar ik op..." na de repair voort te zetten als: Mat ik tot jullie zeggen wil", meet Willy zich de gewenste rol van schoolmeester aan. Op het eerste gezicht lijkt er niets met deze twee taaluitingen aan de hand te zijn. Maar na een nadere beschouwing blijken ze op een subtiele wijze een wisseling van register, een 'situationeel passende taalgebruiksvariëteit' (Haft-van Rees, 1973: 433) te representeren. Die wisselende registers kunnen samenhangen met wisselende perspectieven op de werkelijkheid, c.q. de toehoorders: dat van journalist tot een volwassen publiek en dat van schoolmeester tot een klas. Het handelen, dus ook het taalhandelen, is gebonden aan de context waarin iemand zich bevindt (Endruweit/Trommsdorff, 1989: 484). Willy's wisseling van journalistperspectief naar docentperspectief komt ons inziens tot stand met behulp van de repair.

Na de repair legt schoolmeester Willy uit hoe een opstel opgebouwd dient te worden. Mat ik tot jullie zeggen wil, is dat als je een verháál schrijft, _ dan moet je een verhaal... Xxxx <Dat betekent:> gewoon een verhaal in drie stukken, moet je denken." Willy zinspeelt op een regelmatige orde: zijn leerlingen construeren wel vaker een opstel dat uit 'drie stukken' bestaat. De interpretatie: 'simpelweg een verhaal uit drie stukken', verwijst naar een gangbare opvatting in de steldidactiek. Hier, in het begin van het incident, hanteert Willy een retoricaal perspectief. Hij hanteert dezelfde driedeling als die Lausberg (19673: 29) aanhaalt (Anfang / initium, Mitte / medium en Ende / finis), want Willy heeft het over "een goed begin" (initium). Verder noemt hij het "middenstuk van het verhaal" (medium). Tenslotte heeft Willy het over het einde: "En het verhaal heeft ook een slof' (finis). Over het initium zegt hij: "Dat begin moet goed pakkend zijn". Ook dat is terug te voeren op de klassieke retorica:

"Anfang und Ende [haben] ihre Hauptfunktion im Publikumskontakt, insofern der Anfangsteil den Publikumskontakt herstellt und das Ende die Wirkung der Rede im Publikum sicherstellen will." (Lausberg, 19673: 29)

Waarom moet een begin pakkend zijn? Juist, om de aandacht van het publiek te trekken, zoals Lausberg duidelijk maakt. Volgens hem moet het begin van de tekst de aandacht van de lezer trekken (attentum parare), luister- en leesbereidheid opwekken (docilem parare) en de goedgunstigheid van de lezer wekken (benevolum parare) (ib., 25). Willy hecht (onbewust?) voornamelijk waarde aan de eerste twee retorische eisen van Lausberg, het attentum parare ("dat begin moet goed pakkend zijn") en het docilem parare ("als je te saai begint,

4

© Nederlandse Taalunie, 2000-2009 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties